ECLI:NL:CRVB:2005:AT8861

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5762 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvend letsel

Eiser, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in oktober 2003 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een toeslag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde zijn aanvraag op psychische klachten die hij toeschreef aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode.

Verweerster wees de aanvraag af omdat, hoewel eiser betrokken was bij oorlogsgeweld, niet was vastgesteld dat hij lichamelijk of psychisch letsel had dat leidde tot blijvende invaliditeit. Medische adviezen van artsen en een psychiater concludeerden dat de psychische stoornis van eiser verband hield met een hersenvliesontsteking in zijn jeugd en niet met oorlogservaringen. Ook lichamelijke klachten werden niet aan de oorlog gerelateerd.

De Raad oordeelde dat het besluit van verweerster goed gemotiveerd en voorbereid was en dat er geen grond was voor vernietiging. De Raad wees het beroep af en kende geen proceskostenvergoeding toe. De Raad benadrukte dat individuele ervaringen en medische beoordelingen per persoon verschillen, waardoor een vergelijking met lotgenoten niet relevant is.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt gehandhaafd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5762 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 12 oktober 2004, kenmerk JZ/Q60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft [naam echtgenote], echtgenote van eiser, als gemachtigde van eiser, beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 19 mei 2005. Daar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door
[naam echtgenote] voornoemd en zijn zoon [naam zoon], terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door
mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 en Pro enkele bijzondere voorzieningen. Dit verzoek heeft eiser gebaseerd op gezondheids- klachten, waaronder met name psychische klachten, die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende, zogenoemde Bersiap-periode.
Verweerster heeft deze aanvraag van eiser afgewezen bij besluit van 17 mei 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiser weliswaar getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder f, van de Wet - te weten de betrokkenheid bij een mortierinslag bij zijn woning en het meemaken van beschietingen in Soerabaja tijdens de Bersiap-periode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op adviezen van twee van haar geneeskundig adviseurs, de artsen P. Windels en M. Hoornstra-Deurloo. Deze adviezen berusten op de resultaten van het onderzoek dat de geneeskundig adviseur
R.J. Roelofs bij eiser heeft uitgevoerd alsmede op gegevens uit de behandelende sector en in het bijzonder op een ten aanzien van eiser op 8 september 2004 opgemaakt rapport van H.S.R. Witte, psychiater. In deze adviezen komt naar voren dat er bij eiser sprake is van een organisch psychische stoornis, die moet worden toegeschreven aan de in zijn jeugd doorgemaakte hersenvliesontsteking en aldus niet in verband staat met de van belang zijnde oorlogsomstandigheden. Blijkens het door psychiater Witte voornoemd uitgebrachte rapport is naast de gevolgen van de doorgemaakte hersenvliesontsteking geen symptomatologie waargenomen die causaal is te relateren aan de geverifieerde oorlogscalamiteiten. Voorts wordt geconcludeerd dat de lichamelijke klachten van eiser - te weten rugklachten, knieklachten en hoofdpijn - niet gerelateerd kunnen worden aan de van belang zijnde oorlogservaringen maar duidelijk andere oorzaken hebben.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen naar behoren voorbereid en gemotiveerd.
De voorhanden medische gegevens bevatten geen aanknopingspunten voor de opvatting dat bij eiser naar in beroep en ter zitting naar voren is gebracht, sprake zou zijn van psychische klachten die het gevolg zouden zijn van de in aanmerking te nemen oorlogscalamiteiten.
Met betrekking tot eisers grief dat de beide broers van eiser wel in aanmerking zijn gekomen voor een financiële bijdrage en eiser niet, terwijl hij hetzelfde heeft meegemaakt merkt de Raad - evenals verweerster - nog op dat elk individu de meegemaakte oorlogsgebeurtenissen op zijn eigen wijze heeft ervaren en verwerkt, waardoor bij een medische beoordeling vergelijking met lotgenoten niet aan de orde is.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2005.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) E. Heemsbergen.