ECLI:NL:CRVB:2005:AT8971
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als vervolgde op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Eiser heeft bij verweerster een aanvraag ingediend om erkend te worden als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en om een periodieke uitkering. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië onder moeilijke omstandigheden leefde, waaronder het gedwongen werken voor de Japanners en het overlijden van zijn moeder, en dat zijn broer door mishandeling om het leven kwam.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat eiser zelf vervolging had ondergaan zoals bedoeld in de Wet. Ook vond verweerster dat de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren doorbracht niet zodanig uitzonderlijk waren dat hij met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met een vervolgde gelijkgesteld kon worden.
Eiser betwistte niet langer dat hij zelf geen vervolging had ondergaan, maar voerde aan dat zijn ervaringen vergelijkbaar waren met vervolging en dat de uitzonderingsbepaling van artikel 3, tweede lid, van de Wet op hem van toepassing moest zijn. De Raad oordeelde dat verweerster een ruime beleidsvrijheid heeft bij het toepassen van deze discretionaire bevoegdheid en dat het besluit slechts terughoudend kan worden getoetst.
De Raad stelde vast dat het wegvoeren van de vader van eiser niet gepaard ging met excessief geweld en dat de vader na de oorlog terugkeerde uit krijgsgevangenschap. De oorlogservaringen van eiser stonden volgens de Raad te ver af van het doel en de strekking van de Wet om hem als vervolgde te erkennen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van zijn aanvraag om erkenning als vervolgde blijft in stand.