ECLI:NL:CRVB:2005:AT9059
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens stilzwijgende verlenging en nietigheid tussentijds ontslag
Appellant was werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd die uiterlijk op 4 september 2002 zou eindigen. Na deze datum heeft hij zijn werkzaamheden feitelijk voortgezet zonder dat er een schriftelijke verlenging was overeengekomen. De werkgever heeft op 16 oktober 2002 een brief gestuurd waarin werd bevestigd dat het dienstverband per 18 oktober 2002 zou eindigen, welke brief appellant voor akkoord heeft getekend.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij volgens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) niet werkloos was, aangezien het contract stilzwijgend was verlengd en hij recht had op loonbetaling. De rechtbank had het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat appellant recht had op doorbetaling van loon tot 18 oktober 2002.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de overeenkomst stilzwijgend is verlengd voor dezelfde tijd en dat appellant de nietigheid van het tussentijdse ontslag had moeten inroepen. Doordat appellant de ontslagbrief zonder voorbehoud heeft getekend, heeft hij ingestemd met het einde van de overeenkomst en is hij verwijtbaar werkloos geworden. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering bevestigd.