ECLI:NL:CRVB:2005:AT9068

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-37 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet betalen griffierecht

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar, maar weigerde het verschuldigde griffierecht van €102,- te betalen. De Centrale Raad van Beroep heeft appellant herhaaldelijk gewezen op de verplichting tot betaling en de consequenties van niet-betaling.

Ondanks meerdere aanmaningen en duidelijke communicatie over de termijn voor betaling, gaf appellant aan het griffierecht niet te zullen voldoen. De Raad concludeerde dat appellant in verzuim was en verklaarde het hoger beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk zonder verder onderzoek.

Er waren geen omstandigheden aanwezig die toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rechtvaardigden. De uitspraak werd gedaan door mr. T. Hoogenboom in aanwezigheid van griffier R.E. Koerts op 8 juni 2005.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
05/37 WW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 22 december 2004, registratienummer WW 04/859, tussen partijen gegeven uitspraak.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van Pro de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 25 januari 2005 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van
€ 102,-- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij schrijven van 26 januari 2005 geeft appellant onder meer aan dat hij de kosten van het beroep nooit gaat overmaken.
Bij bovenvermeld schrijven doet appellant voorts het schrijven van 25 januari 2005 retour komen met daarop geschreven “vervallen”.
De Raad verzoekt bij schrijven van 1 februari 2005 appellant mede te delen of hij met het schrijven van 30 december 2004 beoogd heeft hoger beroep in te stellen. Tevens is hierbij gewezen, mocht appellant toch de bedoeling hebben hoger beroep in te stellen, op de verschuldigdheid van een griffierecht van € 102,-- waarvan geen vrijstelling of vermindering mogelijk is.
Hierop reageert appellant bij schrijven van 2 februari 2005 mede de mededeling dat hij in beroep gaat tegen eerder vermelde uitspraak en hiervoor niet opnieuw griffierecht gaat betalen.
Bij aangetekende brief van 4 maart 2005 is appellant nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
Bij schrijven van 7 maart 2005 geeft appellant wederom aan geen griffierecht te zullen voldoen.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van R.E. Koerts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) R.E. Koerts.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT.
De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.