ECLI:NL:CRVB:2005:AT9112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/4829 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet (ZW)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing ziekengeld na herstel arbeidsgeschiktheid

Appellante, werkzaam als productiemedewerkster via een uitzendbureau, was wegens diverse klachten arbeidsongeschikt geweest maar hervatte haar werk na herstel. Na nieuwe handklachten werd zij door verzekeringsartsen onderzocht en per 3 mei 2002 hersteld verklaard, waarna het ziekengeld werd stopgezet.

Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij sinds augustus 2002 onder behandeling was van een psychiater wegens een depressief syndroom. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat er geen psychiatrische indicatie was die ongeschiktheid voor werk rechtvaardigde. De rechtbank en de Raad gaven aan dat de medische rapporten zorgvuldig waren en dat de brief van de psychiater onvoldoende overtuigend was over het moment en de ernst van de klachten.

De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Er waren geen gronden voor proceskostenveroordeling. Hiermee blijft het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gehandhaafd dat appellante geen ziekengeld meer toekomt omdat zij niet meer ongeschikt is voor haar arbeid.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/4829 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 20 november 2002 is appellante vanwege gedaagde in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).
De rechtbank Almelo heeft bij uitspraak van 4 september 2003 (02/1061 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is mr. A.P. Drosten, advocaat te Enschede, op bij beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage) ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 8 juni 2005, waar appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Drosten voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.
II. MOTIVERING
Appellante, die werkzaam is geweest als productiemedewerkster via een uitzendbureau, is van 31 mei 2001 tot 3 september 2001 wegens diffuse gewrichtsklachten aan de handen en de knieën arbeidsongeschikt geweest. Nadat zij was hersteld heeft zij weer enkele maanden productiewerk verricht, waarbij zij machines moest vullen waarmee kunststofdienbladen werden gemaakt.
Op 22 november 2001 heeft appellante zich weer ziek gemeld wegens handklachten.
Terzake van dit ziektegeval heeft zij diverse keren het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Mede op grond van door de huisarts van appellante verstrekte informatie - zijnde brieven van de haar behandelend neuroloog en reumatoloog, waaruit bleek dat er sprake was van arthralgieën van de handen - heeft de verzekeringsarts appellante per 3 mei 2002 hersteld verklaard.
Bij besluit van 3 mei 2002 is aan appellante dienovereenkomstig met ingang van deze datum geen ziekengeld meer toegekend.
In de bezwaarfase is appellante gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die bij haar algehele malaiseklachten vaststelde en inlichtingen heeft ingewonnen bij de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening te Haaksbergen. Een maatschappelijk werkster van deze instelling maakte in een brief van 29 juli 2002 onder meer melding van spanningsklachten maar zag op dat moment geen psychiatrische indicatie. Mede gelet op deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er weliswaar sprake was van als psychosomatisch te duiden klachten, maar dat er bij gebreke van een psychiatrische behandeling, geen reden was om appellante op psychische gronden ongeschikt te achten voor haar werk.
Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2002 dan ook ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het inleidend beroep ongegrond verklaard en daarbij met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken verzekeringsartsen. De rechtbank achtte hun conclusies op voldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen.
De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een andersluidend oordeel. Uit een in hoger beroep overgelegde brief van 24 september 2003 van psychiater D.G. Buiten, blijkt dat appellante sinds 28 augustus 2002 bij deze specialist in behandeling was en dat er sprake zou zijn van een depressief syndroom. Hoewel dit volgens deze specialist in het voorjaar van 2002 zou kunnen zijn ontstaan, ziet de Raad in het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 26 november 2003 voldoende reden om aan die brief geen doorslaggevende betekenis toe te kennen. De bezwaarverzekeringsarts wijst er naar het oordeel van de Raad terecht op dat voornoemde psychiater geen stellige mededeling doet over het moment van ontstaan van de depressie, terwijl ook de ernst van de klachten in zijn brief niet wordt uitgewerkt. De Raad acht de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts, dat ten tijde in geding nog geen sprake kan zijn geweest van een ernstige depressie voldoende overtuigend.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van
mr. J.W.P van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.