ECLI:NL:CRVB:2005:AT9118

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4642 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking en vergrijp met opgelegde boeten door Centrale Raad van Beroep

In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin werd vastgesteld dat er een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen appellante en betrokkenen. De rechtbank oordeelde tevens dat de opgelegde boeten terecht waren opgelegd wegens een vergrijp en dat deze boeten proportioneel waren gezien de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld zonder dat partijen verschenen op de zitting. De Raad heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven en bevestigd dat de door appellante aangevoerde gronden, waaronder het betwisten van de beloning en gezagsrelatie, niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Verder concludeert de Raad dat er geen gronden zijn om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep wordt derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

ENKELVOUDIGE KAMER
04/4642 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. C.M. Mostert, werkzaam bij LAR Rechtsbijstand te Rijswijk, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen onder kenmerk 03/1436 door de rechtbank Arnhem op 13 juli 2004 gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad verwijst voor een overzicht van de feiten naar hetgeen in de aangevallen uitspraak is vermeld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (verder: betrokkenen), zulks overeenkomstig het in het bestreden besluit op bezwaar van gedaagde neergelegde standpunt van gedaagde. De door appellante aangevoerde gronden met betrekking tot de beloning van betrokkenen en het ontbreken van een gezagsrelatie tussen appellante en betrokkenen kunnen volgens de rechtbank niet leiden tot vernietiging van het in beroep bestreden besluit. Ten aanzien van de opgelegde boetenota’s heeft de rechtbank geoordeeld dat terecht is uitgegaan van een vergrijp. Voorts is de rechtbank niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de opgelegde boeten niet evenredig zijn aan de ernst en de mate van verwijtbaarheid van de door appellante gepleegde overtreding.
Evenals de rechtbank moet de Raad de aan de orde zijnde vragen bevestigend beantwoorden. De Raad onderschrijft daarbij het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd.
Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep naar voren is gebracht, in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen brengen.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.