ECLI:NL:CRVB:2005:AT9120
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering met arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 procent
Appellant, die sinds 1989 een WAO-uitkering ontvangt, werd na een ziekmelding in 2000 opnieuw beoordeeld. De WAO-uitkering werd herzien van 35-45% naar 80-100%, waarna een verzekeringsarts beperkingen vaststelde op basis van medische klachten, waaronder handklachten en een eerder doorgemaakt hartinfarct.
Een arbeidsdeskundige stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45 tot 55% aan de hand van een belastbaarheidspatroon en passende functies. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde de uitkering dienovereenkomstig vast. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en ook in hoger beroep werd dit oordeel bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische beperkingen, waaronder de handklachten, niet zijn onderschat. De bezwaarverzekeringsarts had de medische informatie zorgvuldig meegewogen en verklaarde dat de voorgestelde functies medisch passend zijn. Appellant bracht geen nieuwe medische stukken in die aanleiding gaven tot twijfel. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit tot herziening van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% wordt bevestigd.