ECLI:NL:CRVB:2005:AT9121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen verzekeringsplichtige arbeidsrelatie tussen voormalig directeur-aandeelhouder en onderneming
Appellante, een onderneming, stelde dat sinds 1 januari 1999 sprake is van een verzekeringsplichtige arbeidsrelatie met betrokkene, voormalig directeur-aandeelhouder, na overdracht van aandelen aan diens zoon. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had eerder besloten dat betrokkene niet verzekeringsplichtig was vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die een herziening van het oorspronkelijke besluit rechtvaardigen. De omstandigheden die appellante aanvoert, zoals de overname door de zoon en gewijzigde bedrijfsvoering, zijn onvoldoende om een gezagsrelatie aan te nemen.
De Raad benadrukt dat het bestuursorgaan binnen de wettelijke kaders het oorspronkelijke besluit mag handhaven en dat de rechter zich beperkt tot de vraag of er nieuwe feiten zijn die herziening rechtvaardigen. Het verzoek van appellante wordt afgewezen en het besluit van 10 december 1998 blijft van kracht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene vanaf 1 januari 1999 niet in een verzekeringsplichtige arbeidsrelatie werkzaam is geweest.