ECLI:NL:CRVB:2005:AT9358

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2864 CSV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering uitstel betaling premieschuld UWV

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn verzoek om uitstel van betaling van een premieschuld af te wijzen. De premieschuld was vastgesteld bij een eerder besluit waarbij appellant aansprakelijk werd gesteld. Het verzoek tot uitstel werd geweigerd omdat appellant geen bankgarantie had verstrekt, hetgeen ook bij bezwaar werd gehandhaafd.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het UWV bevoegd is het uitstel te weigeren en dat het gevoerde beleid, neergelegd in het Besluit incasso en invordering, binnen redelijke beleidsgrenzen blijft. De Raad ziet geen aanleiding om het besluit te vernietigen of te wijzigen.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de uitspraak gekeerd, maar de Raad verwijst naar een gelijktijdige uitspraak in een verwant geding en concludeert dat het UWV in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om uitstel van betaling van de premieschuld wordt geweigerd en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

Uitspraak

04/2864 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft drs. J. van Leeuwaarden, belastingadviseur te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2004, reg.nr. 03/1975.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is, gevoegd met de gedingen geregistreerd onder nummers 04/2866, 04/2869 en 04/2871, behandeld ter zitting van 9 juni 2005. Daar heeft appellant zich laten vertegenwoordigen door drs. J. van Leeuwaarden en gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uwv.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In deze gedingen wordt - heden - afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 februari 2003 heeft gedaagde het verzoek van appellant om uitstel van betaling van de premieschuld, waarvoor hij bij besluit van 5 december 2002 aansprakelijk was gesteld, afgewezen op de grond dat door appellant geen bankgarantie was verstrekt. Dit besluit heeft gedaagde bij besluit op bezwaar van 28 mei 2003 gehandhaafd.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 28 mei 2003 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gedaagde is bevoegd om het gevraagde uitstel van betaling te verlenen. Het ter zake door gedaagde gevoerde beleid is neergelegd in het Besluit incasso en invordering. Dat beleid houdt, samengevat, in dat onder voorwaarden een betalingsregeling of, in het geval van tijdelijke liquiditeitsproblemen, een tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting mogelijk is. Met dat beleid is gedaagde naar het oordeel van de Raad gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Ook heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval een juiste toepassing gegeven aan dit beleid. Met betrekking tot hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de met gedaagde getroffen betalingsregeling volstaat de Raad met verwijzing naar zijn uitspraak van heden met registratie nummer 04/2869.
In hetgeen overigens nog is aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding voor de conclusie dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) J.P. Mulder.