ECLI:NL:CRVB:2005:AT9426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens te verwachten arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na indiensttreding
Appellante trad per 1 februari 1999 in dienst als assistente gehandicaptenbegeleidster en was reeds bekend met chronisch vermoeidheidssyndroom (ME). Na een korte periode meldde zij zich ziek en werd haar arbeidsovereenkomst op 16 april 1999 beëindigd vanwege medische ongeschiktheid voor de functie.
Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), trok de WAO-uitkering in vanaf 10 maart 2001 (lees 20 maart 2000) omdat appellante niet langer als arbeidsongeschikt werd beschouwd. Bij bezwaar verklaarde het Uwv het besluit ongegrond, maar wijzigde het door te erkennen dat appellante wel arbeidsongeschikt was per 10 maart 2000, doch dat deze arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na indiensttreding te verwachten was en daarom buiten aanmerking bleef.
De rechtbank oordeelde dat appellante bij aanvang van haar dienstverband al aanzienlijke medische beperkingen had en slechts beperkt lichte arbeid kon verrichten. Appellante slaagde er niet in te bewijzen dat haar beperkingen tijdens het dienstverband waren toegenomen. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de medische rapporten en aanstellingskeuring bevestigen dat appellante vanaf het begin niet geschikt was voor haar werkzaamheden.
De Raad acht het standpunt van het Uwv juist dat de arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden te verwachten was en dat het besluit tot weigering van de WAO-uitkering terecht is genomen op grond van artikel 18, tweede lid, en subsidiair artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO. Er is geen sprake van onzorgvuldigheid of vooringenomenheid door de verzekeringsartsen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na indiensttreding te verwachten was.