ECLI:NL:CRVB:2005:AT9778

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5707 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar tegen premienota werknemersverzekeringen

Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, stelde dat gedaagde niet-ontvankelijk was in zijn bezwaar tegen een premienota over de jaren 2000 en 2001 omdat de gronden van het bezwaar niet waren ingediend en het verzuim niet was hersteld.

Gedaagde had bezwaar aangetekend tegen de premienota en verwees naar aanvullende gegevens die tijdens een boekenonderzoek aan de looninspecteur waren verstrekt. De rechtbank oordeelde dat deze informatie voldoende was om de gronden van het bezwaar te bevatten.

Appellant betwistte dit en stelde dat het onduidelijk was op welke wijze uit het bezwaarschrift bleek dat de premie te hoog was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en stelde dat het voor appellant duidelijk had moeten zijn dat het bezwaar gericht was tegen de brutering op grond van het anoniementarief.

Hierdoor kon het besluit van appellant het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren geen stand houden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde appellant tot betaling van de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: Het bezwaar van gedaagde wordt ontvankelijk verklaard en het besluit van appellant niet-ontvankelijkheid te verklaren wordt vernietigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5707 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[betrokkene] handelend onder de naam [gedaagde], wonende te
[woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 1 november 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 7 oktober 2004 tussen partijen gewezen uitspraak met kenmerk 04/1098.
Bij schrijven van 29 november 2004 heeft P.J.M. van Dam, fiscaal juridisch adviseur te Nijmegen, van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni 2005, waar appellant - met voorafgaand schriftelijk bericht - niet is verschenen, terwijl gedaagde in persoon is verschenen bijgestaan door P.J.M. van Dam.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of appellant gedaagde bij besluit van 26 maart 2004 op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het feit dat gedaagde bij het instellen van bezwaar verzuimd heeft de gronden van het bezwaar in te dienen en dit verzuim niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft hersteld.
Bij brief van 24 december 2003 is aan gedaagde een premienota werknemers-verzekeringen toegezonden betreffende de jaren 2000 en 2001. Bij bezwaarschrift gedateerd 8 januari 2004, bij appellant binnengekomen op 4 februari 2004, is namens gedaagde daartegen bezwaar aangetekend. Appellant heeft bij brief van 23 februari 2004 gedaagde meegedeeld dat het bezwaarschrift niet de gronden van het bezwaar bevat en gedaagde in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Bij besluit op bezwaar van 26 maart 2004 heeft appellant het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat op het verzoek om het verzuim te herstellen geen reactie is ontvangen en de gronden van het bezwaar niet kenbaar zijn.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard vaststellende dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar, als bedoeld in artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevat aangezien gedaagde heeft aangegeven dat bij gelegenheid van het boekenonderzoek, naar aanleiding waarvan de premienota is opgelegd, nader te verstrekken gegevens aan de looninspecteur zijn toegezonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde hiermee aangegeven waarom zijns inziens de premie te hoog is vastgesteld.
Appellant heeft daartegen aangevoerd dat het voor hem onduidelijk is op welke wijze de rechtbank uit het bezwaarschrift heeft af kunnen leiden dat gedaagde de mening is toegedaan dat de premienota tot een te hoog bedrag is vastgesteld aangezien dit nergens met zoveel woorden omschreven is, dan wel anderszins uit het bezwaarschrift valt af te leiden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevat. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met hetgeen tijdens het boekenonderzoek aan de orde is gesteld had het ook voor appellant duidelijk kunnen en moeten zijn dat het bezwaar van gedaagde gericht was tegen de brutering op grond van het anoniementarief. Om die reden kan het bestreden besluit geen stand houden en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Verstaat dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 414,00 wordt geheven.
Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2005.
(get.) R.C. Stam.
(get.) M. Renden.