ECLI:NL:CRVB:2005:AT9819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- J.Th. Wolleswinkel
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Terugvordering kinderbijslag wegens breuk huishouden door detentie en verblijfstatus
Appellant was gedetineerd in Spanje van het derde kwartaal 1996 tot het vierde kwartaal 1998 en verbleef daarna niet rechtmatig in Nederland. De Sociale verzekeringsbank (SVB) stelde vast dat appellant in deze periode niet als ingezetene kon worden beschouwd en vorderde onterecht betaalde kinderbijslag terug. Appellant voerde aan dat door detentie geen breuk in het huishouden was ontstaan en dat hij zijn gezin financieel ondersteunde, onder meer via telefoonkosten en leningen van familie.
De SVB handhaafde de terugvordering en stelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan de onderhoudsverplichting had voldaan. De rechtbank wees het beroep af, stellende dat detentie geen dringende reden vormt om van terugvordering af te zien. In hoger beroep bevestigde de Raad dit oordeel, waarbij werd overwogen dat de detentie een voorlopige breuk in het huishouden veroorzaakte en dat de gezinsband na vrijlating niet voldoende was hersteld.
De Raad vernietigde het besluit deels waar het berustte op een onjuiste grondslag voor de periode van het derde kwartaal 1998 tot en met het vierde kwartaal 1999, maar handhaafde de weigering van kinderbijslag en terugvordering voor de overige perioden. De Raad oordeelde dat appellant zijn detentie had moeten melden en dat het redelijkerwijs duidelijk was dat dit invloed had op zijn recht op kinderbijslag. De boete werd ingetrokken en de invordering aangepast naar een maandelijkse aflossing van 100 gulden. De SVB werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De terugvordering van kinderbijslag wordt bevestigd wegens een voorlopige breuk in het huishouden door detentie en niet-naleving van onderhoudsverplichtingen.