ECLI:NL:CRVB:2005:AT9839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzonder geval voor terugwerkende WAO-uitkering na verlate aanvraag
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) waarin geen verzekeringsplicht werd aangenomen over 1987-1989 en aanspraak op WAO-uitkering vanaf 1990 werd ontzegd. Na een arbeidsongeval in 1989 en een verlate aanvraag om WAO-uitkering in 1996, kende het Uwv een uitkering toe met ingang van 25 oktober 1995.
De kernvraag was of sprake was van een bijzonder geval volgens artikel 35, tweede lid, WAO, dat toekenning van de uitkering met terugwerkende kracht rechtvaardigt. Appellant stelde dat zijn toenmalige raadsman hem niet had geïnformeerd over de mogelijkheid tot aanvraag, wat door de Raad van Discipline bevestigd werd.
De Centrale Raad oordeelde dat onbekendheid met de regelgeving geen bijzonder geval vormt. Appellant had geen beletsel om binnen een jaar na het ongeval zijn rechten te onderzoeken. Het tekortschieten van de raadsman valt onder het risico van appellant. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard; geen terugwerkende kracht voor WAO-uitkering wegens onbekendheid met regelgeving.