E N K E L V O U D I G E K A M E R
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft drs. J.C. de Zeeuw, werkzaam bij Deloitte Belastingadviseurs B.V., hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 november 2004, kenmerk 04/225.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juni 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
Appellante heeft ten doel het ontwikkelen, produceren en bewerken van en inkoop en verkoop van kunststofproducten alsmede het geven van adviezen op het gebied van kunststoffen. Tot en met 31 december 2001 was 80% van de aandelen van appellante middellijk in handen van [betrokkene] (hierna: betrokkene). Betrokkene is tevens enig aandeelhouder van [de besloten vennootschap 1]. Met ingang van 1 januari 2002 is [de besloten vennootschap 2] enig aandeelhoudster van appellante. Appellante heeft op 1 januari 2002 met [de besloten vennootschap 1] een managementovereenkomst gesloten. [de besloten vennootschap 1] is met ingang van die datum benoemd tot statutair directeur van appellante.
Naar aanleiding van een Rapport Buitendienst Verzekeringsplicht heeft gedaagde geconcludeerd dat betrokkene zijn werkzaamheden voor appellante heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Bij besluit van 11 september 2003 heeft gedaagde ten aanzien van betrokkene op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten ingaande 1 januari 2002 verzekeringsplicht aangenomen.
Het tegen dit besluit ingediende bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 14 januari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 14 januari 2004 ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
In dit geding moet de vraag worden beantwoord of gedaagde terecht heeft aangenomen dat tussen appellante en betrokkene een arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt.
De Raad beantwoordt voormelde vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
De Raad stelt voorop dat bij de beantwoording van voormelde vraag niet doorslaggevend is hoe de arbeidsverhouding door de partijen zelf wordt gekwalificeerd of wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben beoogd. Alle relevante feiten en omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen.
Naar het oordeel van de Raad zijn de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de loonbetalingsverplichting en de gezagsverhouding in de arbeidsverhouding tussen appellante en betrokkene aanwezig.
De Raad is van oordeel dat er in het onderhavige geval sprake is van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting, aangezien het appellante te doen is om de persoonlijke inzet van betrokkene, terwijl hij de werkzaamheden daadwerkelijk persoonlijk heeft verricht.
Ten aanzien van het element van de verplichting tot loonbetaling is de Raad van oordeel dat de aan betrokkene gedane betalingen een reële contraprestatie voor de verrichte arbeid zijn.
De Raad is voorts van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding tussen appellante en betrokkene. Betrokkene dient verantwoording af te leggen aan de Raad van Commissarissen. Hiertoe is er vier maal per jaar een vergadering. Voorts vindt er iedere maand overleg plaats met de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (hierna: AVA) en is voor uitgaven die een bepaald bedrag te boven gaan toestemming van de AVA nodig.
De Raad volgt appellante niet in haar stelling dat per 1 januari 2002 slechts een formele verandering heeft plaatsgevonden. Vóór die datum kon betrokkene met zijn overwegende stem in de AVA immers zijn eigen ontslag tegenhouden. Gelet op artikel 3 van de managementovereenkomst kan appellante thans de overeenkomst met [de besloten vennootschap 1] onder bepaalde voorwaarden eenzijdig beëindigen. Tevens kan de aandeelhoudster van appellante, [de besloten vennootschap 2], haar stem rechtsgeldig uitbrengen, ook in afwijking van de managementovereenkomst.
Met betrekking tot de door appellante aangevoerde omstandigheid dat betrokkene als zelfstandige dient te worden aangemerkt, merkt de Raad op dat zulks er niet aan in de weg staat dat betrokkene in de hier aan de orde zijnde arbeidsverhouding met appellante en met betrekking tot de voor appellante uitgevoerde werkzaamheden werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Derhalve komt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Centrale Raad van Beroep,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.