ECLI:NL:CRVB:2005:AU0048
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over verdiscontering van WAO-voorschotten in gedifferentieerde premie
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan gedaagde is opgelegd. Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de premie over 2002, waarbij het Uwv voorschotten op WAO-uitkeringen aan een ex-werknemer had verdisconteerd in de premie. De rechtbank Alkmaar had het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat uitsluitend toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de premie mogen worden meegenomen en niet de voorschotten.
Het Uwv stelde in hoger beroep dat voorschotten, conform artikel 50, tweede lid, van de WAO, als arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moeten worden beschouwd omdat zij worden betaald bij onzekerheid over het recht of de hoogte van de uitkering en later worden verrekend met het definitieve uitkeringsbedrag. De Centrale Raad onderschreef dit standpunt en oordeelde dat voorschotten onderdeel zijn van de uitkeringen die ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komen en dus verdisconteerd moeten worden in de gedifferentieerde premie.
De Raad vernietigde daarmee het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van gedaagde ongegrond. De uitspraak bevestigt dat voorschotten op WAO-uitkeringen in de systematiek van de premie worden betrokken, tenzij de voorschotten zijn betaald over perioden waarin geen aanspraak op WAO-uitkering mogelijk was.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv tot vaststelling van de gedifferentieerde premie inclusief voorschotten blijft in stand.