ECLI:NL:CRVB:2005:AU0048

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/230 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Besluit premiedifferentiatie WAOArt. 50 WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep over verdiscontering van WAO-voorschotten in gedifferentieerde premie

De zaak betreft een geschil over de hoogte van de gedifferentieerde WAO-premie die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan gedaagde is opgelegd. Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de premie over 2002, waarbij het Uwv voorschotten op WAO-uitkeringen aan een ex-werknemer had verdisconteerd in de premie. De rechtbank Alkmaar had het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat uitsluitend toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de premie mogen worden meegenomen en niet de voorschotten.

Het Uwv stelde in hoger beroep dat voorschotten, conform artikel 50, tweede lid, van de WAO, als arbeidsongeschiktheidsuitkeringen moeten worden beschouwd omdat zij worden betaald bij onzekerheid over het recht of de hoogte van de uitkering en later worden verrekend met het definitieve uitkeringsbedrag. De Centrale Raad onderschreef dit standpunt en oordeelde dat voorschotten onderdeel zijn van de uitkeringen die ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komen en dus verdisconteerd moeten worden in de gedifferentieerde premie.

De Raad vernietigde daarmee het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van gedaagde ongegrond. De uitspraak bevestigt dat voorschotten op WAO-uitkeringen in de systematiek van de premie worden betrokken, tenzij de voorschotten zijn betaald over perioden waarin geen aanspraak op WAO-uitkering mogelijk was.

Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv tot vaststelling van de gedifferentieerde premie inclusief voorschotten blijft in stand.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/230 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift van 27 februari 2004 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 9 december 2003 met kenmerk 03/3 WAO.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 24 februari 2005, waar voor appellant is verschenen L.E. Willemen, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde met kennisge-ving niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 10 december 2002 heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van appellant van 24 oktober 2001 tot vaststelling van de gedifferentieerde premie ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) over 2002 op 4,63%. De hoogte van de premie wordt mede bepaald door het bij besluit van
15 maart 2000 met ingang van 31 januari 2000 aan de (ex-)werknemer van gedaagde[naam ex-werknemer]-werknemer] (hierna: [naam ex-werknemer]) toegekende voorschot op uitkering ingevolge de WAO, dat is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 3 september 2003, aan gedaagde verzonden op 26 september 2003, is aan [naam ex-werknemer] met ingang van 31 januari 2000 een uitkering ingevolge de WAO toegekend, die is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De rechtbank heeft het namens gedaagde tegen het besluit van 10 december 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van gedaagde, met bepalingen omtrent griffierecht en vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, gelet op artikel 4, tweede en vijfde lid, van het Besluit premiedifferentiatie WAO (hierna: het Besluit) uitsluitend toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dienen te worden verdisconteerd in de vaststelling van het individuele werkgeversrisicopercentage. De rechtbank ziet geen aanleiding verstrekte voorschotten op een lijn te stellen met toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, nu deze betalingen een wezenlijk verschillend karakter dragen. De rechtbank acht van belang dat artikel 6, eerste lid, van het Besluit slechts een basis biedt voor het verrekenen van geheel of ten onrechte toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Volgens de rechtbank zijn in de Nota’s van Toelichting bij het Besluit geen aanwijzingen te vinden die erop wijzen dat de wetgever heeft beoogd om voorschotten in de systematiek van het kasbasissysteem op gelijke wijze te behandelen als toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, en noopt de systematiek van het kasbasissysteem daartoe evenmin. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat appellant in de aan gedaagde opgelegde gedifferentieerde premie voor het jaar 2002 in strijd met artikel 4 van Pro het Besluit de aan [naam ex-werknemer] toegekende voorschotten heeft verdisconteerd.
Appellant voert in het aanvullend beroepschrift aan dat het Uwv ingevolge artikel 50, tweede lid, van de WAO een arbeidsongeschiktheidsuitkering bij wege van voorschot betaalbaar kan stellen indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering of de hoogte van het te betalen bedrag aan uitkering. Een verleend voorschot wordt verrekend met het definitief vastgestelde bedrag aan uitkering. Appellant stelt zich derhalve op het standpunt dat een voorschot beschouwd dient te worden als een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Besluit. Ook de omstandigheid dat op basis van wet- en regelgeving verrekening misschien niet meer tot de mogelijkheden behoort, doet hier volgens appellant niet aan af.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 juni 2005 met kenmerk 03/3662 WAO,
LJN AT8493, onderschrijft de Raad het standpunt van appellant. De Raad voegt hieraan toe dat artikel 50 van Pro de WAO de mogelijkheid biedt een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit te betalen bij wege van voorschot, ook indien onzekerheid bestaat over het recht op of de hoogte van de uitkering. Onder de ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas komende uitkeringen in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Besluit vallen dan ook mede te begrijpen uitkeringen die bij wege van voorschot zijn betaald. Dit is slechts anders indien een voorschot is betaald over een periode waarin een aanspraak op uitkering ingevolge de WAO in het geheel niet tot de mogelijkheden behoorde. Dat is hier niet het geval.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. M.C.M. van Laar, in tegenwoordigheid van mr. L.H. Vogt als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) L.H. Vogt.