ECLI:NL:CRVB:2005:AU0070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vervolgingsomstandigheden
Eiser, geboren in 1940 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgingsslachtoffer met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij baseerde dit op het feit dat zijn vader tijdens de Japanse bezetting verplicht tewerkgesteld was en bij een bombardement gewond raakte en overleed.
Verweerster wees het verzoek af omdat de omstandigheden waaronder eiser de oorlogsjaren heeft meegemaakt niet onder het begrip vervolging vallen. De Raad bevestigde dit oordeel en overwoog dat geen gegevens waren gevonden die de vervolging van de vader van eiser bevestigen, noch eenduidige informatie over de omstandigheden van zijn overlijden.
De Raad oordeelde dat de discretionaire bevoegdheid om met toepassing van de anti-hardheidsbepaling tot gelijkstelling over te gaan niet van toepassing was, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering tot erkenning als vervolgingsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.