ECLI:NL:CRVB:2005:AU0072

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7368 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 lid 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag erkenning vervolgingsslachtoffer wegens naoorlogse geboorte

Eiser, geboren in 1948 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in juni 2004 om een periodieke uitkering als vervolgingsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij geleden had onder de gevangenneming van zijn vader door de Japanse bezetter.

Verweerster wees de aanvraag af omdat eiser na 15 augustus 1945 is geboren en daarmee geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Tevens is sinds 15 juli 1994 de mogelijkheid tot gelijkstelling met de vervolgde voor personen van de naoorlogse generatie komen te vervallen.

De Raad bevestigde dat eiser geen vervolging heeft ondergaan en dat de gelijkstelling niet meer mogelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag tot erkenning als vervolgingsslachtoffer wordt afgewezen.

Uitspraak

E N K E LV O U D I G E K A M E R
04/7368 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 september 2004, kenmerk JZ/C60/2004/0669, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom hij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 2 juni 2005. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren [in] 1948 in het voormalige Nederlands-Indië, in juni 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om in het kader van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering. In dit verband heeft eiser naar voren gebracht dat hij heeft geleden onder het feit dat zijn vader als KNIL-militair door de Japanse bezetter krijgsgevangene is gemaakt.
Bij besluit van 28 juni 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster die aanvraag afgewezen op de gronden dat eiser is geboren na 15 augustus 1945 zodat hij geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan en voorts dat de Wet met ingang van 15 juli 1994 de mogelijkheid tot gelijkstelling met de vervolgde niet meer kent voor personen van de na-oorlogse generatie.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep door eiser is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Gegeven de omstandigheid dat eiser is geboren na de periode van de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië, is de Raad met verweerster van oordeel dat eiser geen vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet kan hebben ondergaan.
Ten aanzien van verweersters weigering om eiser met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen overweegt de Raad het volgende.
Op grond van het bepaalde in artikel 3, tweede lid, van de Wet, komt verweerster onder bepaalde omstandigheden de bevoegdheid toe personen met de vervolgde gelijk te stellen indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
De Raad overweegt dat dit artikel bij wet van 7 juli 1994, Stb. 519, is gewijzigd in deze zin dat het niet meer mogelijk is om na 15 juli 1994 ingekomen aanvragen om gelijkstelling met de vervolgde van personen die behoren tot de na-oorlogse generatie, zoals eiser, nog te honoreren. De Raad stelt dan ook vast dat, gelet op de geboortedatum van eiser in samenhang met de datum waarop eiser zijn aanvraag bij verweerster heeft ingediend, verweerster op goede gronden de gelijkstelling met de vervolgde heeft afgewezen.
Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.