ECLI:NL:CRVB:2005:AU0218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- M.D.F. de Moor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot WW-uitkering bij vermoedelijke verwijtbare werkloosheid
Appellant was werkzaam als account-manager bij een werkgever tot 30 november 2001, waarna het dienstverband niet werd verlengd vanwege onvoldoende prestaties. Op 29 november 2001 vroeg appellant een WW-uitkering aan en verzocht om een voorschot. Gedaagde stelde het voorschot op nihil omdat werd vermoed dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. Later werd vastgesteld dat appellant recht had op WW-uitkering vanaf 3 december 2001, maar dit recht eindigde per 7 januari 2002 omdat hij toen niet meer werkloos was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt dat het voorschotbesluit een voorlopig karakter heeft en dat het toegestaan is het voorschot op nihil te stellen indien verwacht wordt dat de uitkering geheel zal worden geweigerd. De Raad acht de besluitvorming zorgvuldig en voldoende gemotiveerd en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het voorschotbesluit op nihil bevestigd.