ECLI:NL:CRVB:2005:AU0223
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor aangepaste arbeid
Appellant, werkzaam als systeembeheerder, viel uit wegens psychische klachten en ontving een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Na een herbeoordeling op 22 januari 2003 concludeerde de verzekeringsarts dat appellant ondanks beperkingen geschikt bleef voor deeltijdfuncties die binnen zijn belastbaarheid vielen, waaronder medewerker telefoonpost.
Gedaagde trok daarop de Ziektewet-uitkering per 22 januari 2003 in. Appellant voerde aan dat zijn armklachten waren onderschat en dat de voorgestelde functies te armbelastend waren, mede onderbouwd met medische gegevens over aneurysmata en een operatie in 2004.
De Raad volgde het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geschikt was voor de functies die bij de WAO-beoordeling waren vastgesteld. Volgens vaste jurisprudentie geldt onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid, tenzij de verzekerde na ziekte niet in het oude werk is teruggekeerd; dan geldt de concretisering van gangbare arbeid uit de WAO-beoordeling. Omdat appellant voor ten minste één van deze functies geschikt was, was hij niet ongeschikt voor 'zijn arbeid' in de zin van de Ziektewet.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de Ziektewet-uitkering per 22 januari 2003 wegens geschiktheid voor passende arbeid.