ECLI:NL:CRVB:2005:AU0452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid
Appellant was tot 25 oktober 1999 werkzaam als traiteur en meldde zich ziek wegens urinewegklachten en een klapvoet rechts. Vanaf 9 november 2000 ontving hij een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Per 29 maart 2001 werd dit percentage verhoogd naar 25 tot 35% vanwege toegenomen beperkingen.
Na bezwaar werd het besluit van 17 januari 2002 vervangen door een nadere beslissing van 6 mei 2003, waarbij appellant werd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen zodanig waren dat hij geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden had per genoemde datum.
De Raad oordeelde dat het nadere besluit het eerdere had vervangen en dat appellant geen belang had bij beoordeling van het ingetrokken besluit. De medische rapporten overgelegd door appellant betroffen een latere verslechtering en gaven geen aanleiding tot een ander oordeel over de situatie per 29 maart 2001. Ook de arbeidskundige beoordeling werd bevestigd. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond, met veroordeling van gedaagde tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nadere besluit ongegrond.