ECLI:NL:CRVB:2005:AU0468
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens ontbreken zelfstandigenstatus
Appellante verzocht om een WAZ-uitkering naar aanleiding van haar arbeidsongeschiktheid per 1 december 2000. De uitkeringsinstantie (Uwv) weigerde de uitkering omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden om als zelfstandige, beroepsbeoefenaar of meewerkend echtgenoot in de zin van de WAZ te worden beschouwd. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.
De rechtbank ’s-Gravenhage oordeelde dat er sprake was van een dienstbetrekking tussen appellante en haar werkgever, wat uitsluit dat zij als zelfstandige kan worden aangemerkt. Dit oordeel werd mede gebaseerd op loonstroken en de feitelijke situatie rond de aandelenoverdracht van het bedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij tussen wal en schip valt omdat een eerdere WAO-aanvraag was afgewezen en zij toch aanspraak kan maken op de WAZ-uitkering. Het Uwv erkende dat het in een procesrechtelijke positie verkeerde door het niet instellen van hoger beroep tegen de uitspraak over de dienstbetrekking, waardoor het gebonden is aan die vaststelling.
De Raad concludeerde dat de weigering van de WAZ-uitkering terecht is en bevestigde het bestreden besluit. Het verzoek om toepassing van artikel 8:75 Awb Pro werd afgewezen. De uitspraak werd uitgesproken door mr. C.W.J. Schoor.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor zelfstandigenstatus.