ECLI:NL:CRVB:2005:AU0475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens kennelijke verwachting arbeidsongeschiktheid binnen half jaar
Appellante, die sinds een whiplash in 1995 klachten had, begon op 1 mei 2001 te werken en werd kort daarna arbeidsongeschikt wegens overspannenheid en hartklachten. De uitkering werd geweigerd op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO, omdat bij aanvang van de verzekering de gezondheidsproblemen de arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden voorspelbaar maakten.
De rechtbank onderschreef dit standpunt en wees op medische rapportages waaruit bleek dat appellante gevoelig was voor externe prikkels, terwijl zij een baan aanvaardde met veel licht- en geluidprikkels. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en stelde dat de verwachting van arbeidsongeschiktheid moet worden beoordeeld op basis van de gezondheidstoestand bij aanvang van de verzekering, niet op de vraag of appellante zelf de uitval had kunnen voorzien.
Appellante leverde geen nieuwe medische informatie die het oordeel van de verzekeringsarts kon weerleggen. De Raad zag daarom geen reden om het besluit te wijzigen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens kennelijke verwachting van arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na aanvang van de verzekering.