ECLI:NL:CRVB:2005:AU0490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering wegens onjuiste arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Appellante, werkzaam als groepsleerkracht, staakte haar werk in april 1999 wegens gezondheidsklachten. Na een wachttijd werd zij in december 2000 toegelaten tot de WAO met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-45%. In april 2002 werd haar uitkering ingetrokken op basis van een rapport van een verzekeringsarts die stelde dat zij per 1 april 2001 weer volledig geschikt was voor haar werk.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet in staat was haar werk volledig te verrichten, onderbouwd met medische rapporten en brieven van bedrijfsarts en revalidatieartsen. De Raad concludeert dat het oordeel van de verzekeringsarts mede gebaseerd was op een oneigenlijk argument, namelijk dat ontslag om medische redenen niet mogelijk was na twee jaar arbeidsongeschiktheid.
De Raad acht de medische onderbouwing voor de intrekking onvoldoende en wijst op tegenstrijdigheden in de rapporten. Het bestreden besluit wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens worden proceskosten aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen.