ECLI:NL:CRVB:2005:AU0517
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens fictieve opzegtermijn bij bedrijfseconomisch ontslag
Betrokkene was sinds 1995 in dienst bij zijn werkgever en verloor zijn functie door een reorganisatie. De arbeidsovereenkomst werd per 15 oktober 2002 ontbonden met een vergoeding. Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd voor de fictieve opzegtermijn van 7 september 2002 tot 1 januari 2003, omdat de opzegtermijn van vier maanden uit de individuele arbeidsovereenkomst werd gehanteerd.
De rechtbank had het bezwaar van betrokkene tegen deze weigering gegrond verklaard vanwege onvoldoende motivering van het gelijkheidsbeginsel door de Raad van bestuur. Betrokkene stelde dat de opzegtermijn in de individuele arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was vanwege strijd met de CAO en dat de kortere termijn in de CAO en deel-CAO (Davo) van toepassing moest zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de opzegtermijn van vier maanden in de individuele arbeidsovereenkomst niet in strijd was met het Burgerlijk Wetboek en dat de Davo geen onderdeel uitmaakt van de CAO. De Raad verwierp het beroep van betrokkene en stelde vast dat de Raad van bestuur de fictieve opzegtermijn terecht op vier maanden had vastgesteld. Het hoger beroep van de Raad van bestuur werd gegrond verklaard omdat geen sprake was van een bestendige praktijk die het gelijkheidsbeginsel zou vereisen dat de fout bij collega’s werd herhaald.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van betrokkene tegen de weigering van de WW-uitkering werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en de fictieve opzegtermijn van vier maanden is correct vastgesteld.