ECLI:NL:CRVB:2005:AU0531
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake vaststelling gedifferentieerde WAO-premie
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over de vaststelling van de gedifferentieerde premie voor de WAO over het premiejaar 2002. De rechtbank had het beroep van de gedaagde ongegrond verklaard en overwogen dat regres alleen mogelijk is bij WAO-uitkeringen met ingang op of na 1 januari 2002 en dat artikel 87e van de WAO een beroep van de werkgever op een onjuiste of te hoge vaststelling van de uitkering in de weg staat.
Het hoger beroep van het UWV richtte zich tegen een overweging van de rechtbank dat, mocht in een procedure tegen het WAO-toekenningsbesluit worden vastgesteld dat de uitkering aan de ex-werkneemster ten onrechte of te hoog is toegekend, de premieheffing alsnog volgens de wettelijke regels moet worden hersteld. Het UWV stelde dat op grond van het Besluit Premiedifferentiatie WAO de premie over 2002 niet kan worden gewijzigd bij intrekking of herziening van de uitkering.
De Raad oordeelde echter dat deze overweging ten overvloede was en geen bindende beslissing betrof over een geschilpunt tussen partijen. Omdat het UWV geen concreet belang in het geschil kon aantonen, werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang.