ECLI:NL:CRVB:2005:AU0614
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtsgevolgen vernietigd besluit inzake WAO-uitkering ondanks bezwaarprocedure
Appellant, sinds 1991 arbeidsongeschikt gemeld wegens psychische klachten, ontving vanaf 1997 een WAO-uitkering met ingang van 11 november 1996. Na bezwaar en beroep tegen eerdere besluiten werd het besluit van 1 juli 2002 vernietigd wegens gebrek aan deugdelijke grondslag. De rechtbank liet echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat appellant de bezwaarprocedure tegen het besluit van 8 september 1999 had ingetrokken en geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd.
In hoger beroep betoogde appellant dat de bezwaarprocedure slechts was opgeschort en dat er wel nieuwe feiten waren, waaronder medische rapporten die niet volledig waren meegewogen. De Raad oordeelde dat de brief van 14 december 1999 duidelijk was in het beëindigen van de bezwaarprocedure en dat de aangevoerde stukken reeds bekend waren en dus geen nieuwe feiten vormden.
De Raad bevestigde dat gedaagde bevoegd was de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb en dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand had gelaten. Daarmee blijft de ingangsdatum van de WAO-uitkering ongewijzigd en wordt het verzoek tot herziening afgewezen.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 1 juli 2002 blijven in stand; geen heropening of herziening van het besluit van 8 september 1999.