ECLI:NL:CRVB:2005:AU0721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correctie- en boetenota’s wegens arbeidsverhouding vrachtwagenchauffeur
Appellante, een transport- en expeditiebedrijf, voerde hoger beroep aan tegen correctie- en boetenota’s opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen naar aanleiding van betalingen aan haar vrachtwagenchauffeur over de jaren 1997 tot en met 2001.
De Raad oordeelt dat ondanks het ontbreken van een op naam gestelde vergunning en het feit dat het gezag niet steeds manifest aanwezig was, er sprake was van een arbeidsverhouding tussen appellante en de chauffeur. De chauffeur verrichtte de werkzaamheden persoonlijk en tegen betaling, wat wijst op een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Appellante stelde dat de chauffeur zelfstandig ondernemer was, mede op basis van een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) uit 2001 en 2002, maar de Raad acht dit niet relevant voor de jaren in geschil en benadrukt dat een VAR niet uitsluit dat er een dienstbetrekking bestaat.
Verder werd geoordeeld dat appellante opzet of grove schuld had omdat zij geen informatie had ingewonnen bij het Uitvoeringsinstituut ondanks twijfel over de arbeidsverhouding. Het beroep op een pleitbaar standpunt faalt omdat er geen duidelijk standpunt van de Belastingdienst bestond bij aanvang van de arbeidsverhouding.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de eerdere uitspraak en handhaaft de correctie- en boetenota’s.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de correctie- en boetenota’s wegens het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.