ECLI:NL:CRVB:2005:AU0912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en bevoegdheid tot zelf voorziening bij intrekking WAO-uitkering
Appellant ontving vanaf 22 september 1997 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de AAW en WAO, berekend op 80-100% arbeidsongeschiktheid. In 1998 werden besluiten genomen tot intrekking van deze uitkering en toeslagen per 17 november 1998, welke door appellant werden bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit, waarna gedaagde een nieuw besluit op bezwaar nam dat de intrekking handhaafde.
Appellant voerde aan dat na de uitspraak van de rechtbank slechts één beslissing mogelijk was: voortzetting van de WAO-uitkering. De Raad oordeelde echter dat geen sprake was van een situatie waarin rechtens nog slechts één beslissing mogelijk is, omdat gedaagde bij een nieuw besluit op bezwaar ook anders kan besluiten, bijvoorbeeld door te onderbouwen dat sprake was van algehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verplichte verzekering.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten, verklaarde het beroep gegrond voor zover mede gericht tegen het besluit van 26 januari 2004, vernietigde dit besluit en droeg gedaagde op een nieuw besluit te nemen. Tevens wees de Raad proceskosten toe aan appellant en bepaalde vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van 26 januari 2004 wordt vernietigd en gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.