ECLI:NL:CRVB:2005:AU0921
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na einde wachttijd bij overspannenheid en rugklachten
Appellante, werkzaam als produktiemedewerkster, viel in maart 1999 uit wegens rugklachten tijdens zwangerschap. Na afloop van de wachttijd in maart 2000 werd een WAO-uitkering geweigerd omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen arbeid. Na ziekmelding in augustus 2000 werd ziekengeld toegekend, maar per augustus 2001 werd een WAO-uitkering geweigerd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Vanaf december 2001 meldde zij zich ziek wegens overspannenheid.
De kern van het geschil is of het besluit om vanaf 1 maart 2002 geen ziekengeld meer toe te kennen terecht was. De Raad hanteert de jurisprudentie dat onder “zijn arbeid” de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde blijvend ongeschikt is voor die arbeid en geen werk heeft hervat; dan geldt gangbare arbeid passend bij de WAO/AAW-beoordeling.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante geschikt is voor de functies die in het kader van WAO/AAW als passend zijn aangemerkt, waaronder de functie van meteropnemer. Medische verklaringen die anders suggereren, worden niet als voldoende onderbouwd geacht. Ook is het verzoek tot toelating van een nieuwe psychiatrische verklaring afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.
Hierdoor wordt het bestreden besluit bevestigd en wordt geen ziekengeld meer toegekend vanaf 1 maart 2002.
Uitkomst: Het besluit om vanaf 1 maart 2002 geen ziekengeld meer toe te kennen aan appellante wordt bevestigd.