ECLI:NL:CRVB:2005:AU0926

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5250 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, die sinds 1997 lijdt aan de ziekte van Bechterew, viel in oktober 2000 uit wegens pijnklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na onderzoek door verzekeringsarts Van Burkom in september 2001 werd vastgesteld dat appellant ondanks beperkingen nog in staat was lichte lichamelijke activiteiten te verrichten. De arbeidsdeskundige Notten beoordeelde op basis van het belastbaarheidspatroon dat appellant geschikt was voor diverse functies, waardoor geen sprake was van een theoretisch verlies aan verdiencapaciteit.

De uitkeringsinstantie weigerde daarom een WAO-uitkering per 14 oktober 2001 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Appellant maakte bezwaar en beroep, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn pijnklachten, psychische toestand en urenbeperking, onderbouwd met een verklaring van reumatoloog Hattink.

Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische beoordelingen zorgvuldig waren uitgevoerd, inclusief overleg met behandelend specialisten, en dat de beperkingen adequaat waren meegenomen in het belastbaarheidspatroon. De Raad vond geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en verwierp het beroep, bevestigend dat appellant in staat was om met gangbare arbeid minimaal hetzelfde te verdienen als voorheen.

De uitspraak werd op 10 augustus 2005 door de Centrale Raad van Beroep gegeven en bevestigt de eerdere beslissing tot weigering van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

03/5250 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 7 december 2001 heeft gedaagde geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 14 oktober 2001 minder dan 15% was.
Bij besluit van 24 mei 2002 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 september 2003 (AWB 02/2642 WAO) het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr.M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 juni 2005, waar voor appellant is verschenen mr. Schilt-Thissen voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Souka, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant was voltijds werkzaam via een uitzendbureau als magazijnmedewerker bij Stichting [naam stichting] toen hij op 16 oktober 2000 uitviel wegens pijnklachten mede tengevolge van de sedert 1997 bestaande de ziekte van Bechterew. Vervolgens heeft hij een uitkering ontvangen in het kader van de Ziektewet. Bij het einde van de wachttijd is hij in het kader van de WAO op 17 september 2001 onderzocht door verzekeringsarts T. van Burkom. Deze verzekeringsarts komt na inlichtingen te hebben ingewonnen bij appellants huisarts tot de conclusie dat er beperkingen gelden voor psychische belasting en fysieke belasting. De belastbaarheid van appellant heeft Van Burkom weergegeven in het belastbaarheidspatroon. Van Burkom acht appellant, ondanks de ongunstige prognose van de aandoening Bechterew, nog in staat tot lichte lichamelijke activiteiten.
Arbeidsdeskundige K. Notten heeft aan de hand van het belastbaaheidspatroon, na het raadplegen van het Functie Informatie Systeem (FIS), onder andere de functies van modinette, interieur verzorger en hulplederbewerker voor appellant geschikt geacht. Omdat appellant met deze gangbare arbeid nog minstens hetzelfde kan verdienen als voorheen, is volgens de arbeidsdeskundige geen sprake van een theoretisch verlies aan verdiencapaciteit en is de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15%. Bij besluit van 7 december 2001 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 14 oktober 2001 geen aanspraak kan maken op een WAO-uitkering.
In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts te optimistisch is geweest voor wat betreft de resterende mogelijkheden. Voorts is verzuimd informatie in te winnen bij de behandelend reumatoloog Hattink. Verder is bij de beoordeling weinig of geen rekening gehouden met zijn psychische toestand. Op 16 mei 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg rapport uitgebracht. Deze komt na informatie te hebben ingewonnen bij de behandelend neuroloog en reumatoloog tot hetzelfde inhoudelijke oordeel als de verzekeringsarts Van Burkom.
In beroep heeft appellant aangevoerd dat de bewegingen die hij moet maken in de geduide functies te pijnlijk zijn om vol te houden. Uit de praktijk blijkt dat appellant niet in staat is langer dan 2 uur achter elkaar te werken. Ter ondersteuning van zijn stellingen heeft appellant een verklaring van de reumatoloog R.O. Hattink ingebracht. Nu geen rekening is gehouden met de pijnklachten en de urenbeperking acht appellant het bestreden besluit niet goed onderbouwd.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector en dat de bezwaarverzekeringsarts uit deze informatie heeft geconcludeerd dat voldoende rekening is gehouden met de objectiveerbare beperkingen van appellant en er geen reden is voor een urenreductie.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Appellant verwijst nogmaals naar de verklaring d.d. 3 juli 2002 van reumatoloog Hattink. Daaruit blijkt dat er duidelijke afwijkingen zijn geconstateerd en dat appellant lijdt aan een progressieve ziekte.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de pijnklachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over informatie uit de behandelend sector. De verzekeringsartsen ontkennen de ongunstige prognose van de aandoening Bechterew niet en hebben naar het oordeel van de Raad voldoende rekening gehouden met de psychische en lichamelijke beperkingen bij het opstellen van het belastbaarheidspatroon. Ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie gekomen dat deze artsen geen zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de belastbaarheid van appellant. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de in de functies voorkomende overschrijdingen voldoende zijn toegelicht door de arbeidsdeskundige Notten. De Raad is evenals gedaagde van oordeel dat appellant ondanks zijn beperkingen in staat moet worden geacht om op de datum in geding met deze gangbare arbeid nog minstens hetzelfde te verdienen als voorheen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Hetgeen namens appellant in hoger beroep en overigens ter zitting is aangevoerd kan volgens de Raad niet leiden tot een ander oordeel.
Het bovenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het opneembaar op 10 augustus 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.