ECLI:NL:CRVB:2005:AU0926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1997 lijdt aan de ziekte van Bechterew, viel in oktober 2000 uit wegens pijnklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na onderzoek door verzekeringsarts Van Burkom in september 2001 werd vastgesteld dat appellant ondanks beperkingen nog in staat was lichte lichamelijke activiteiten te verrichten. De arbeidsdeskundige Notten beoordeelde op basis van het belastbaarheidspatroon dat appellant geschikt was voor diverse functies, waardoor geen sprake was van een theoretisch verlies aan verdiencapaciteit.
De uitkeringsinstantie weigerde daarom een WAO-uitkering per 14 oktober 2001 omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Appellant maakte bezwaar en beroep, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn pijnklachten, psychische toestand en urenbeperking, onderbouwd met een verklaring van reumatoloog Hattink.
Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische beoordelingen zorgvuldig waren uitgevoerd, inclusief overleg met behandelend specialisten, en dat de beperkingen adequaat waren meegenomen in het belastbaarheidspatroon. De Raad vond geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en verwierp het beroep, bevestigend dat appellant in staat was om met gangbare arbeid minimaal hetzelfde te verdienen als voorheen.
De uitspraak werd op 10 augustus 2005 door de Centrale Raad van Beroep gegeven en bevestigt de eerdere beslissing tot weigering van de WAO-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.