ECLI:NL:CRVB:2005:AU1041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herleving recht op WW-uitkering en vaststelling dagloon
In deze zaak staat de herleving van het recht op een WW-uitkering centraal, waarbij tevens het vastgestelde dagloon onderwerp van discussie is. De appellant had bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde dagloon, maar heeft geen rechtsmiddelen tegen het besluit van 10 oktober 2002 aangewend, waardoor het dagloon rechtens vaststaat.
De rechtbank had reeds vastgesteld dat de WW-uitkering herleefd is per 29 oktober 2002. De appellant voerde in hoger beroep aan dat op grond van billijkheid analoge toepassing van artikel 16a van de Dagloonregels zou moeten plaatsvinden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze bepaling niet van toepassing is op herleefde WW-uitkeringen en dat artikel 21, eerste lid, van de WW een dwingende wetsbepaling betreft.
De Raad benadrukt dat het feit dat de appellant de uitkomst onbevredigend vindt, geen aanleiding kan zijn om af te wijken van de dwingende wettelijke regels. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de bestreden uitspraak van de rechtbank.
Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 19 mei 2005. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 21 juli 2005 door mr. R.C. Schoemaker, in aanwezigheid van griffier mr. L.M. Reijnierse.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herleving van het recht op WW-uitkering en het vastgestelde dagloon zonder toepassing van billijkheid of analoge toepassing.