ECLI:NL:CRVB:2005:AU1041

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/6045 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21, eerste lid, WWArt. 16a Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheidArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herleving recht op WW-uitkering en vaststelling dagloon

In deze zaak staat de herleving van het recht op een WW-uitkering centraal, waarbij tevens het vastgestelde dagloon onderwerp van discussie is. De appellant had bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde dagloon, maar heeft geen rechtsmiddelen tegen het besluit van 10 oktober 2002 aangewend, waardoor het dagloon rechtens vaststaat.

De rechtbank had reeds vastgesteld dat de WW-uitkering herleefd is per 29 oktober 2002. De appellant voerde in hoger beroep aan dat op grond van billijkheid analoge toepassing van artikel 16a van de Dagloonregels zou moeten plaatsvinden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat deze bepaling niet van toepassing is op herleefde WW-uitkeringen en dat artikel 21, eerste lid, van de WW een dwingende wetsbepaling betreft.

De Raad benadrukt dat het feit dat de appellant de uitkomst onbevredigend vindt, geen aanleiding kan zijn om af te wijken van de dwingende wettelijke regels. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de bestreden uitspraak van de rechtbank.

Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 19 mei 2005. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 21 juli 2005 door mr. R.C. Schoemaker, in aanwezigheid van griffier mr. L.M. Reijnierse.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herleving van het recht op WW-uitkering en het vastgestelde dagloon zonder toepassing van billijkheid of analoge toepassing.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/6045 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 november 2003,
reg. nrs. 03/1186 en 03/356.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft zich nog een aantal malen schriftelijk tot de Raad gewend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005.
Daar zijn partijen, zoals tevoren schriftelijk bericht, niet verschenen.
II. MOTIVERING
In hoger beroep is aan de orde de vraag of de aangevallen uitspraak stand kan houden.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de aan appellant bij besluit, na bezwaar, van 10 oktober 2002, per 18 februari 2002 toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), onder toepassing van artikel 21, eerste lid, van de WW is herleefd met ingang van 29 oktober 2002, zodat nu appellant geen rechtsmiddelen tegen het in dat besluit vastgestelde dagloon heeft aangewend, het dagloon rechtens vaststaat.
De rechtbank heeft appellant erop gewezen dat in het bestreden besluit van 7 maart 2003 uitvoerig uiteen is gezet waarom artikel 16a van de Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening sociale zekerheid (hierna: Dagloonregels) toepassing mist.
De Raad stelt vast dat appellant niet bestrijdt dat artikel 16a van de Dagloonregels niet van toepassing is.
Appellant stelt zich op het standpunt, zo begrijpt de Raad, dat hij op billijkheidsgronden een beroep doet op analoge toepassing van deze bepaling in zijn situatie.
Nog daargelaten dat het hier om een herleefde WW-uitkering gaat, waarvan het dagloon rechtens verbindend is, kan dit beroep van appellant niet slagen. Artikel 21, eerste lid, van de WW vormt een bepaling van dwingend recht.
De omstandigheid dat appellant de uitkomst in zijn situatie onbevredigend acht, kan hieraan niet afdoen.
Gelet op het vorenstaande dient eerstvermelde vraag bevestigend beantwoord te worden.
De Raad ziet geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.