ECLI:NL:CRVB:2005:AU1142

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2977 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Dagloonregelen WAOArt. 43c WAOArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van besluit over WAO-uitkering en dagloonberekening bij ziekte en arbeidspatroon

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering en het garantiedagloon vast te stellen op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 en een dagloon van €29,94. Het UWV had het dagloon berekend door het per dag verdiende loon te verlagen met een factor vanwege perioden waarin appellante uit eigen keuze niet werkte.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er voldoende aanwijzingen waren dat het niet solliciteren niet causaal verband hield met haar ziekte. In hoger beroep betwistte appellante dit en stelde dat zij uit medische gronden niet kon solliciteren.

De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat medische redenen haar verhinderd hebben te solliciteren. Gezien het arbeidspatroon in het refertejaar was het toepassen van de Dagloonregelen WAO en het dervingsprincipe correct. Er waren geen gronden om het besluit op grond van artikel 8:75 Awb Pro te wijzigen.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak en het besluit van het UWV.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit om het arbeidsongeschiktheidspercentage en het garantiedagloon van appellante te handhaven.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/2977 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. M. Smit, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 april 2004, met kenmerk 03/766.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 juni 2005, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Smit, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door L.A.P. ter Laak, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Appellante is in de periode 15 november 1999 tot 24 december 1999 werkzaam geweest voor uitzendbureau Interim. Van
28 februari 2000 tot 6 oktober 2000 is appellante werkzaam geweest als medewerker huishoudelijke dienst bij [naam werkgever]. Daarnaast ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Op 6 oktober 2000 is appellante wegens ziekte uitgevallen.
Bij besluit, na bezwaar, van 21 augustus 2003 heeft gedaagde de bij het besluit van 15 juli 2003 met ingang van 3 november 2000 aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100 gehandhaafd onder vaststelling van het garantiedagloon ex artikel 43 c WAO op € 29,94. Het dagloon van appellante berekend op basis van haar laatste verdiensten bedraagt € 18,39, daar gedaagde het per dag verdiende loon van € 45,04 heeft verlaagd met de factor 96/235 omdat appellante in de periode gelegen tussen de dienstverbanden met Interim en [naam werkgever] uit eigen verkiezing niet heeft gewerkt.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 21 augustus 2003 ongegrond verklaard. Het standpunt van gedaagde, dat er voldoende concrete aanwijzingen zijn om te kunnen stellen dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de ziekte van appellante en het niet solliciteren, houdt de rechtbank niet voor onjuist.
In hoger beroep betwist appellante dat zij uit vrije verkiezing niet heeft gewerkt gedurende de referteperiode van 6 oktober 1999 tot 6 oktober 2000.
De Raad is met de rechtbank en gedaagde van oordeel dat in het onderhavig geval terecht en op goede gronden toepassing is gegeven aan artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b van de Dagloonregelen WAO en overweegt daartoe het volgende.
De Raad is op grond van de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting van oordeel dat appellante geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat zij op basis van medische gronden niet in staat is geweest gedurende het refertejaar te solliciteren. Daarom moet worden geoordeeld dat appellante uit eigen verkiezing afwisselend wel en niet werkzaam is geweest. Gelet op het arbeidspatroon van appellante in het refertejaar acht de Raad de wijze waarop toepassing is gegeven aan de Dagloonregelen WAO, mede in overeenstemming met het aan die regelen ten grondslag liggende dervingsprincipe.
In het vorenstaande ligt besloten dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.
Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.). A. Kovács