Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU1149

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4159 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering uitstel betaling premies werknemersverzekeringen

Appellante heeft bij brief verzocht om uitstel van betaling van nog niet betaalde premies werknemersverzekeringen over de jaren 2002 en 2003, waarbij zij voorstelde 50% ineens te betalen en de rest in 12 kwartaaltermijnen te voldoen. De rechtbank Assen verklaarde het beroep van appellante tegen de weigering van dit uitstel ongegrond.

De Centrale Raad van Beroep heeft het oordeel van de rechtbank bevestigd en overweegt dat gedaagde bevoegd is om uitstel te verlenen en dat het gevoerde beleid, neergelegd in het Besluit incasso en invordering, binnen redelijke beleidsgrenzen blijft. Het feit dat geen onderzoek naar de vermogenspositie van appellante is gedaan, leidt niet tot de conclusie dat het besluit onredelijk is.

De Raad benadrukt dat het aan appellante was om met gegevens te komen die een uitzondering op het beleid konden rechtvaardigen. Omdat appellante dit niet heeft gedaan, wordt het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om uitstel van betaling van premies werknemersverzekeringen wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

04/4159 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante heeft mr. J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep te Assen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 juni 2004, kenmerk 04/155.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2005, waar partijen, na voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij brief van 6 oktober 2003 is namens appellante om uitstel van betaling verzocht ter zake van de nog niet betaalde premies werknemersverzekeringen over 2002 tot en met 2003, in dier voege dat 50% van het verschuldigde ineens zou worden betaald en het restant in 12 kwartaaltermijnen.
Bij besluit van 29 oktober 2003 is dit verzoek door gedaagde gehonoreerd voor zover het de betaling van 50% ineens betreft. Het restant zou echter betaald moeten worden in 12 maandelijkse termijnen.
Bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 8 januari 2004 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen laatstvermeld besluit ongegrond verklaard.
De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen verenigen en maakt deze tot de zijne.
De Raad voegt hier nog het volgende aan toe.
Het hier ter toets staande besluit strekt tot de weigering van uitstel van betaling op de wijze zoals voorgestaan door appellante.
Gedaagde is bevoegd om het gevraagde uitstel van betaling te verlenen. Het ter zake door gedaagde gevoerde beleid is neergelegd in het Besluit incasso en invordering. Dat beleid houdt, samengevat, in dat onder voorwaarden een betalingsregeling of, in het geval van tijdelijke liquiditeitsproblemen, een tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting mogelijk is. Met dat beleid is gedaagde naar het oordeel van de Raad gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
De omstandigheid dat gedaagde geen onderzoek heeft doen uitvoeren naar de vermogenspositie van appellante geeft geen aanknopingspunten voor de conclusie dat gedaagde bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellante had gelegen zelf met gegevens te komen die mogelijkerwijs tot een uitzondering op de algemene regel aanleiding hadden kunnen geven.
De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2005.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) L.M. Reijnierse.