ECLI:NL:CRVB:2005:AU1292
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- C.M. van Wechem
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzekeringsplicht op grond van privaatrechtelijke dienstbetrekking
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem over de verzekeringsplicht van een werknemer die werkzaamheden verrichtte binnen haar onderneming. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had premienota’s en boetenota’s opgelegd, welke door appellante werden betwist. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellante primair dat de werkzaamheden waren verricht in het kader van een vennootschap onder firma, met een VAR-verklaring voor de betreffende jaren. Subsidiair werd aangevoerd dat niet aan de criteria voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking werd voldaan, en daarnaast werd bezwaar gemaakt tegen de berekening van het aantal sv-dagen en de boetenota’s.
De Raad overwoog dat de kwalificatie van de arbeidsverhouding niet afhangt van de zelfbenoeming door partijen, maar van de feiten en omstandigheden. Een zelfstandige onderneming sluit een dienstbetrekking niet uit. De VAR-verklaring is niet bindend indien sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat aan de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan: persoonlijke dienstverrichting, loonbetaling en gezagsverhouding.
De Raad verwierp de overige beroepsgronden en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verzekeringsplicht wordt bevestigd.