ECLI:NL:CRVB:2005:AU1326
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning oorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs vervolging
Eiser verzocht verweerster om herziening van de afwijzing van zijn eerdere aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij voerde aan dat hij tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd was geweest en overhandigde een aanvullende getuigenverklaring.
Verweerster wees het verzoek af omdat geen nieuwe feiten of gegevens waren aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening. De Raad bevestigde dat de verklaring van de getuige geen nieuwe informatie bevatte en dat eerdere uitspraken reeds hadden vastgesteld dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat eiser vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.
De Raad oordeelde dat de discretionaire bevoegdheid van verweerster tot herziening terughoudend wordt getoetst en dat het bestreden besluit rechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de weigering tot erkenning als oorlogsslachtoffer blijft gehandhaafd.