ECLI:NL:CRVB:2005:AU1330

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5223 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzet wegens niet-tijdige betaling griffierecht

Opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was voldaan. Opposant deed verzet tegen deze niet-ontvankelijkverklaring, stellende dat hij tijdig opdracht had gegeven tot betaling van het griffierecht.

De Raad stelde vast dat het griffierecht pas na de uiterlijke betaaldatum op de rekening van de Raad was bijgeschreven. Ondanks de stelling van opposant dat hij op 23 november 2004 opdracht tot overschrijving had gegeven, oordeelde de Raad dat dit geen verschoonbare reden was voor de overschrijding van de betalingstermijn.

De Raad benadrukte dat opposant zelf verantwoordelijk is voor tijdige betaling en dat hem bij eerdere brieven duidelijk was gemaakt dat alleen de dag van bijschrijving op de rekening van de Raad beslissend is. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is betaald en het verzuim niet verschoonbaar is.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5223 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raadkamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 13 januari 2005 het door opposant ingestelde beroep tegen een ten aanzien van hem door geopposeerde genomen besluit van 19 augustus 2004 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan.
Tegen de uitspraak van 13 januari 2005 heeft opposant bij brief van 1 maart 2005, ontvangen ter griffie van de Raad op
2 maart 2005, verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad van 7 juli 2005. Daar is opposant niet verschenen. Geopposeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. I. Wolfert, werkzaam bij de Pensioen- en uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is bij schrijven van 7 oktober 2004 opposant gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht. Bij aangetekend verzonden schrijven van 28 oktober 2004 is opposant erop gewezen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening per kas diende te zijn voldaan dan wel op de bankrekening van de Raad diende te zijn bijgeschreven en is hem tevens erop gewezen dat hij er rekening mee diende te houden dat overschrijding van deze termijn niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zou betekenen.
De Raad stelt vast dat de datum waarop het verschuldigde griffierecht uiterlijk per kas diende te zijn betaald dan wel op de bankrekening van de Raad diende te zijn bijgeschreven, 25 november 2004 was.
Het griffierecht is eerst op 29 november 2004 op de bankrekening van de Raad bijgeschreven, zodat moet worden vastgesteld dat opposant de in de brief van 28 oktober 2004 genoemde termijn van vier weken heeft overschreden. Het door opposant in verzet aangevoerde, te weten dat hij op 23 november 2004 opdracht had gegeven om het verschuldigde griffierecht over te schrijven, is geen omstandigheid die voormeld verzuim verschoonbaar doet zijn.
De Raad is van oordeel dat opposant zelf verantwoordelijk blijft voor de tijdige betaling van het verschuldigde griffierecht. Bij de eerder genoemde brief van 7 oktober 2004 is opposant er op gewezen dat het overmaken van gelden via een bank aanzienlijke tijd kan vergen. Voorts is bij eerder genoemde brief van 28 oktober 2005 duidelijk vermeld dat beslissend is uitsluitend de dag waarop het bedrag is bijgeschreven.
Uit het vorenstaande volgt dat het door opposant gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2005.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.