AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing uitbreiding uren huishoudelijke hulp voor WUBO-gerechtigde
Eiser, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met psychische invaliditeit, verzocht om uitbreiding van de toegekende 4 uur huishoudelijke hulp per week. Verweerster wees dit verzoek af op basis van medische adviezen en een aanvullend sociaal rapport.
De Raad concludeert dat eiser weinig beperkingen ondervindt bij huishoudelijke werkzaamheden en dat de aanvraag geen grond biedt voor meer dan de reeds toegekende uren. De medische adviezen en het dossier ondersteunen dit standpunt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. Het besluit van verweerster blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/7294 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 21 december 2004, kenmerk JZ/Z70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiser op bij beroepschrift uiteengezette gronden bij de Raad beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 juni 2005. Aldaar is eiser, met voorafgaand bericht, niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegen-woordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken is eiser, geboren in 1926, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger- oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig is hem, onder meer, een vergoeding van de kosten van extra huishoudelijke hulp gedurende maximaal 4 uren per week toegekend.
In maart 2004 heeft eiser verweerster, onder meer, verzocht om de voorziening voor huishoudelijke hulp uit te breiden. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat het huishoudelijk werk hem zwaar valt, mede omdat zijn echtgenote vanwege haar slechte gezondheid geen huishoudelijk werk kan verrichten.
Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 16 juli 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiser noch op grond van zijn psychische klachten, noch op grond van zijn, niet met zijn oorlogservaringen samenhangende lichamelijke klachten, is aangewezen op meer dan 4 uur huishoudelijke hulp per week.
In dit geding staat ter beantwoording de vraag of, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal artsen/ geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een terzake van de onderhavige aanvraag opgemaakt aanvullend Sociaal Rapport, alsmede op gegevens uit het aanwezige medisch dossier, aangevuld met actuele gegevens uit de behandelende sector en gegevens welke zijn verkregen op grond van een gericht medisch onderzoek van eiser door een van de evenvermelde geneeskundig adviseurs, de arts A.M. Koop.
Uit de voorhanden gegevens komt duidelijk naar voren dat eiser bij het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden weinig beperkingen ondervindt.
Bij de onderhavige voorziening moet het bovendien gaan om extra kosten van huishoudelijke hulp, dat wil zeggen uitgaande boven hetgeen in het maatschappelijk verkeer - bijvoorbeeld in verband met ouderdom - als gebruikelijk is aan te merken.
Onder deze omstandigheden bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2005.