ECLI:NL:CRVB:2005:AU1367

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/7412 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens ontbreken blijvende invaliditeit

Eiser, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Verweerster wees de aanvraag af omdat, hoewel eiser oorlogsgeweld had ondervonden, niet was voldaan aan de wettelijke eis van blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit.

De Raad baseerde zich op medische adviezen van geneeskundig adviseurs die concludeerden dat eiser weliswaar psychische klachten heeft die deels verband houden met zijn kampverleden, maar dat deze niet leiden tot invaliditeit in de zin van de Wet. Lichamelijke klachten zoals hoofdpijn en maagklachten werden niet aan de oorlogservaringen toegeschreven.

Eiser en zijn gemachtigde betwistten dit, onder meer door te stellen dat eiser zich tijdens het onderzoek beter had voorgedaan dan in werkelijkheid, maar dit werd niet medisch onderbouwd. De Raad vond het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en zag geen reden om de medische adviezen te verwerpen.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en wees zij de erkenning als burgeroorlogsslachtoffer af.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van blijvende invaliditeit.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/7412 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 18 november 2004, kenmerk JZ/P/70/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft G. Kofman-Ottink namens eiser bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 30 juni 2005. Aldaar is namens eiser verschenen zijn gemachtigde
G. Kofman-Ottink voornoemd, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiser, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in oktober 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet, een periodieke uitkering en een bijzondere voorziening. Dit verzoek heeft eiser gebaseerd op gezondheidsklachten, waaronder met name psychische klachten, die naar zijn mening het gevolg zijn van zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en de daarop volgende, zogenoemde Bersiap-periode.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 17 mei 2004, zoals na daar-tegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat eiser weliswaar getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d en f, van de Wet - te weten de internering in achtereenvolgens kamp Geneng en kamp Dawoe te Ngawi tijdens de Bersiap-periode - maar dat niet is voldaan aan de ingevolge de Wet tevens geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel tengevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidende tot blijvende invaliditeit.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen namens eiser in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens de gedingstukken is het standpunt van verweerster in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke adviezen berusten op de resultaten van een vanwege verweerster ingesteld onderzoek van eiser door de arts R.J. Roelofs en op van de huisarts van eiser verkregen informatie. In deze adviezen is aangegeven dat bij eiser weliswaar enige psychische klachten voorkomen die deels gerelateerd kunnen worden aan zijn kampverleden, maar dat deze niet zodanige beperkingen met zich meebrengen, dat gesproken kan worden van invaliditeit in de zin van de Wet. Hierbij is op basis van de door eiser terzake verstrekte informatie in aanmerking genomen dat bij eiser in het algemeen sprake is van een acceptabel functioneren in alle levenssferen, met periodiek geringe, voorbijgaande beperkingen. Voorts wordt geconcludeerd dat de lichamelijke klachten van eiser, te weten hoofdpijn- en maagklachten en hooikoorts, niet gerelateerd kunnen worden aan eisers oorlogservaringen, maar duidelijk andere oorzaken hebben.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.
De in het kader van deze advisering verkregen gegevens bieden de Raad geen houvast voor de opvatting dat de onderhavige psychische klachten van eiser wel tot invalidering in de zin van de Wet hebben geleid.
Ook overigens is de Raad uit hetgeen door en namens eiser naar voren is gebracht niet gebleken van gegronde redenen om aan de juistheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische adviezen te twijfelen. Als zodanige reden kan met name ook niet gelden de door eisers gemachtigde ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat eiser zich bij het voormelde onderzoek beter heeft voorgedaan dan hij in werkelijkheid is, nu dit laatste niet op enigerlei wijze medisch is onderbouwd.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proces-kosten.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2005.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) J.P. Schieveen.