ECLI:NL:CRVB:2005:AU1466
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende verlies verdiencapaciteit
Appellant, werkzaam als keukenmedewerker, viel uit wegens hartklachten. Het UWV weigerde een WAO-uitkering op grond van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beperkingen niet waren onderschat en appellant geschikt was voor de aan hem voorgehouden functies.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad acht de medische beoordeling, waaronder rapporten van verzekeringsartsen en de behandelend cardioloog, zorgvuldig en voldoende. Een later rapport dat een urenbeperking van 20 uur per week vermeldt, ziet niet op de situatie per 19 november 2001 en leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad concludeert dat appellant medisch geschikt is voor de functies en dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% bedraagt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering bevestigd.