ECLI:NL:CRVB:2005:AU1471

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/5149 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 BeroepswetArt. 8:55 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens overschrijding beroepstermijn in WAJONG-zaak

Opposante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Maastricht, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Opposante kwam hiertegen in verzet en voerde aan dat zij de uitspraak te laat had ontvangen door foutieve postbezorging en het niet aangetekend verzenden door haar advocaat.

De Raad beoordeelde de omstandigheden en oordeelde dat de termijn van zes weken voor het indienen van het beroepschrift niet was nageleefd. De Raad vond geen gronden om het verzuim te verontschuldigen op basis van artikel 8:75 Awb Pro en handhaafde het eerdere oordeel.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 14 december 2004 bleef ongewijzigd van kracht. Opposante was niet verschenen bij de zitting van 13 juli 2005, waar de zaak werd behandeld.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk blijft.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/5149 WAJONG
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposante], wonende te [woonplaats], opposante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposante heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 27 juli 2004 (reg.nr.: AWB 03/1137 WAJONG) tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 14 december 2004 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het hoger beroep niet tijdig bij de Raad is ingediend en niet is gebleken van redenen op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest.
Opposante is van die uitspraak in verzet gekomen.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 juli 2005, waar namens geopposeerde is verschenen
mr. P.H.H.J. Krijnen, terwijl opposante -zoals tevoren is bericht- niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Volgens artikel 6:24 van Pro de Awb in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat voor wat betreft het hoger beroep in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift aan partijen bekend is gemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De aangevallen uitspraak is op 27 juli 2004 in afschrift aan partijen verzonden. Het beroepschrift is op 21 september 2004 ter griffie ontvangen.
Op grond van bovenvermelde gegevens moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
In het verzetschrift heeft opposante wederom aangevoerd dat zij de aangevallen uitspraak te laat heeft ontvangen, omdat haar post verkeerd bezorgd was en dat dit had kunnen gebeuren omdat haar advocaat het poststuk niet aangetekend had verzonden.
Hetgeen opposante in verzet heeft aangevoerd vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om het verzuim van opposante te verontschuldigen en de Raad tot een ander oordeel te leiden dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van
14 december 2004.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van Pro de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op artikel 8:55, zesde lid, van de Awb blijft de uitspraak van de Raad van
14 december 2004 derhalve in stand.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.