ECLI:NL:CRVB:2005:AU1478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vergoeding wegens schending redelijke termijn bij weigering AAW/WAO-uitkering
Appellante, die arbeidsongeschikt werd gemeld wegens rugklachten, kreeg per 12 november 1997 geen uitkering op grond van de AAW en WAO omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht. Na bezwaar en eerdere procedures werd het besluit van 8 juli 2002, waarin de weigering werd gehandhaafd, bestreden in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de medische beperkingen van appellante juist waren vastgesteld en dat zij geschikt was voor gangbare arbeid, waardoor geen recht op uitkering bestond. Echter werd vastgesteld dat de totale procedure ruim zeven jaar en tien maanden duurde, wat een schending van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro betekende. De Raad stelde vast dat noch de zaak complex was, noch appellante de vertraging rechtvaardigde.
De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens deze schending, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Daarnaast werd het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 wegens de lange procedure en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van AAW/WAO-uitkeringen is vernietigd wegens schending van de redelijke termijn en het Uwv is veroordeeld tot een schadevergoeding van €500.