Appellant is sedert 10 augustus 1989 in het genot van een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeids- ongeschiktheid van 15 tot 25%. In het kader van de eenmalige herbeoordeling ingevolge de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen is appellants uitkering met ingang van 1 juli 1994 voortgezet voor de duur van (ten hoogste) vijf jaar, waarbij hij ongewijzigd bleef ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Bij gelegenheid van de vijfjaarlijkse herbeoordeling is appellant op 11 november 1999 gezien door de verzekeringsarts
W.J. Reilman. Deze heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in een rapport van gelijke datum, in welk rapport tevens een belastbaarheidspatroon is opgenomen. Aan het slot van dit rapport is vermeld dat de casus wordt overgedragen aan de arbeidsdeskundige voor functieselectie en het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Arbeidskundig onderzoek heeft evenwel, om onopgehelderd gebleven redenen, niet plaatsgevonden. Het dossier is eerst in 2001 weer ter hand genomen in het kader van een achterstandenproject. Appellant heeft een vragenformulier ingevuld. Op basis daarvan heeft gedaagde, zonder arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 13 juli 2001 de uitkering met ingang van 2 juli 1999 voortgezet voor de duur van (ten hoogste) vijf jaar, waarbij appellant ongewijzigd ingedeeld bleef in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.
Bij schrijven van 16 augustus 2001 heeft appellant bezwaar gemaakt, stellende dat zijn lichamelijke klachten op de eerste maandag van maart zijn toegenomen, waardoor hij niet optimaal kan functioneren en zijn beroep uitoefenen en dat hij daarom graag een herkeuring zou willen.
In de loop van de hierop gevolgde bezwarenprocedure bleek het medisch dossier van appellant onvindbaar, in verband waarmee de bezwaarverzekeringsarts een medische heroverweging onmogelijk achtte. Toen het medisch dossier na ruim drie maanden tevergeefs zoeken nog niet boven water was gekomen, zag gedaagde geen andere oplossing dan het bezwaar formeel gegrond te verklaren en een geheel nieuw onderzoek te entameren. Aldus geschiedde. Bij besluit van
8 (lees: 28) november 2001 heeft gedaagde appellants bezwaar gegrond verklaard en de primaire afdeling (WAO) opgedragen een nieuwe beoordeling uit te voeren op basis van een volledig medisch heronderzoek.
Dit onderzoek, dat was toegespitst op de situatie per 11 november 1999 (=datum onderzoek door de verzekeringsarts Reilman), is verricht door de verzekeringsarts J.M. Dijkstra en de arbeidsdeskundige R. Barhorst. De verzekeringsarts heeft op 30 januari 2002 een rapport opgemaakt en het belastbaarheidspatroon, zoals weergegeven in de rapportage van de verzekeringsarts Reilman van 11 november 1999, tot het zijne gemaakt. Op basis van dit belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige, bij zijn rapport van 14 februari 2002, na raadpleging van het Functie Informatie Systeem, geconcludeerd dat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Met een uitlooptermijn van twee maanden, gerekend vanaf de aanzegbrief van de arbeidsdeskundige, heeft gedaagde vervolgens bij het besluit van 22 februari 2002 appellants uitkering met ingang van 15 april 2002 ingetrokken.