ECLI:NL:CRVB:2005:AU1641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Ontzegging WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering niet gegrond
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die het besluit tot ontzegging van een WAO-uitkering aan gedaagde vernietigde. De ontzegging was gebaseerd op het standpunt dat gedaagde bij aanvang van zijn verzekering op 15 augustus 1994 reeds volledig arbeidsongeschikt was, zoals bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder a, van de WAO.
De rechtbank oordeelde dat gedaagde, ondanks zijn medische beperkingen, vanaf de aanvang van zijn verzekering tot december 1998 loonvormende arbeid had verricht en niet volledig arbeidsongeschikt was. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat er onvoldoende ondubbelzinnige indicaties zijn dat gedaagde bij aanvang van de verzekering reëel arbeidsongeschikt was. De Raad benadrukt dat het enkele bestaan van klachten niet volstaat en dat het feit dat gedaagde zijn functie als wasserijmedewerker gedurende jaren heeft vervuld, wijst op geschiktheid.
Verder concludeert de Raad dat de omstandigheden, waaronder het functioneren binnen de marge en het ontbreken van loonproblemen, niet wijzen op volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang. De Raad veroordeelt appellant in de proceskosten en bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit.
Uitkomst: De ontzegging van de WAO-uitkering wordt vernietigd omdat gedaagde bij aanvang van de verzekering niet volledig arbeidsongeschikt was.