ECLI:NL:CRVB:2005:AU1846
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding aanvullende werkzaamheden bij militair ouderdoms- en nabestaandenpensioen
In deze zaak staat centraal of een vergoeding die appellant ontving op grond van artikel 115 van Pro het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) voor aanvullende werkzaamheden op het naasthogere rangsniveau, moet worden meegenomen in de grondslag voor het militair ouderdoms- en nabestaandenpensioen en de Uitkeringswet gewezen militairen (Ugm).
Appellant betoogt dat deze vergoeding, die over een periode van 44 maanden werd toegekend tot zijn functioneel leeftijdsontslag, als vast onderdeel van het inkomen moet worden beschouwd en daarom in de uitkeringsgrondslag moet worden opgenomen. De Staatssecretaris van Defensie stelt dat het een tijdelijke vergoeding betreft die niet als een waarnemingstoelage kan worden aangemerkt, omdat appellant geen bestaande functie volledig heeft waargenomen maar tijdelijke werkzaamheden op projectbasis verrichtte.
De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak in een vergelijkbare zaak waarin is geoordeeld dat de vergoeding geen vast onderdeel van het inkomen vormt vanwege het tijdelijke karakter. Op grond van artikel 23a van het Inkomstenbesluit militairen geldt de vergoeding daarom niet als inkomstenbestanddeel voor de pensioengrondslag en kan deze ook niet in de grondslag voor de Ugm-uitkering worden opgenomen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt hiermee de eerdere uitspraak en wijst het beroep van appellant af. Tevens wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De vergoeding voor aanvullende werkzaamheden op het naasthogere rangsniveau wordt niet als vast onderdeel van het inkomen beschouwd en niet meegenomen in de pensioen- en uitkeringsgrondslag.