ECLI:NL:CRVB:2005:AU1858

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3839 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZiektewetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrechtWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringWet Werkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor lichte functies

Appellant, voormalig projectleider bij Nedcar, meldde zich ziek wegens hoofdpijnklachten na een val op het achterhoofd. Na afloop van de wachttijd kreeg hij geen WAO-uitkering omdat hij geschikt werd geacht voor lichte werkzaamheden zonder nekbelasting. Op 10 juli 2002 werd vastgesteld dat appellant nog steeds last had van cervicogene hoofdpijn, maar geschikt bleef voor de voorgehouden functies zoals artsenbezoeker en planner.

In de bezwaarprocedure bevestigde een bezwaarverzekeringsarts dat appellant ondanks chronische pijn in staat was de functies te vervullen. De Raad vond de medische rapporten zorgvuldig en onderbouwd. Er was geen bewijs van samenhang tussen een in 2003 begonnen revalidatie en de gezondheidstoestand op 10 juli 2002.

De Centrale Raad van Beroep concludeert dat appellant terecht geen ziekengeld is toegekend en bevestigt het eerdere besluit en uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellant geschikt is voor de voorgehouden functies.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/3839 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij brief van 10 juli 2002 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van deze datum geen ziekengeld meer is toegekend.
Bij besluit van 2 september 2002 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 18 juni 2003 (AWB 2002/1516 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. J.P.H.J. Hermans, advocaat te Geleen, op bij beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 juli 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hermans, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.H.H.J. Krijnen, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding is aan de orde de vraag of aan appellant terecht met ingang van 10 juli 2002 geen ziekengeld is toegekend.
De Raad heeft terzake het volgende overwogen.
Appellant is werkzaam geweest als projectleider bij Nedcar. Hij is na een val op het achterhoofd in mei 1997 wegens toenemende hoofdpijnklachten medio mei 1998 uitgevallen voor dit werk. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellant destijds geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Hij werd destijds nog geschikt geacht voor lichte werkzaamheden, waarbij geen nekbelasting te pas kwam, te weten de functies van artsenbezoeker, technisch vertegenwoordiger, eindcontroleur en planner transportbedrijf. In die functies was geen sprake van een verlies aan verdiencapaciteit, zodat appellant niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO.
Appellant heeft zich op 13 mei 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens hoofdpijnklachten ziek gemeld.
Terzake van dit ziektegeval heeft hij op 10 juli 2002 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die bij onderzoek heeft vastgesteld dat appellant nog steeds last had van cervicogene hoofdpijn en dat dit dezelfde beperkingen opleverde als voorheen was vastgesteld. Appellant werd dan ook per 10 juli 2002 niet ongeschikt geacht voor de hem in het kader van de WAO voorgehouden functies, welke elk afzonderlijk gelden als maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de Ziektewet.
In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts J. Jonker, die in haar rapport van 29 augustus 2002 concludeerde dat sprake is van een chronisch benigne pijnsyndroom en dat appellant met inachtneming hiervan in staat was te achten tot het vervullen van voormelde functies. De Raad ziet, evenals de rechtbank, in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de betrokken verzekeringsartsen. Ook naar het oordeel van de Raad geven de door deze artsen uitgebrachte rapporten blijk van een voldoende zorgvuldige afweging van de relevante aspecten. Dat appellant reële pijnklachten heeft wordt door de betrokken verzekeringsartsen niet ontkend. De conclusie echter dat hij desondanks geschikt moet worden geacht voor vorenbedoelde functies, acht de Raad voldoende onderbouwd. De Raad onderschrijft verder het door gedaagde bij verweerschrift ingenomen standpunt dat onvoldoende is gebleken van enige samenhang tussen de in maart 2003 aangevangen revalidatiebehandeling en appellants gezondheidstoestand op 10 juli 2002.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
MH