ECLI:NL:CRVB:2005:AU1887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks tijdsverloop
Appellant, werkzaam als buitenruimteassistent, viel uit wegens gezondheidsklachten en werd onderzocht door een verzekeringsarts die beperkingen vaststelde. Op basis hiervan concludeerde een arbeidsdeskundige dat appellant in staat was gangbare arbeid te verrichten en dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Bij besluit werd de WAO-uitkering geweigerd.
Appellant stelde in hoger beroep dat het lange tijdsverloop tussen het onderzoek en het besluit hem in een nadelige bewijspositie bracht, waardoor het onmogelijk was zijn volledige arbeidsongeschiktheid aan te tonen. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat dit tijdsverloop niet zodanig was dat sprake was van onzorgvuldige besluitvorming.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, ook zonder aanvullende informatie van de huisarts. Er waren geen medische stukken die twijfel aan de zorgvuldigheid van het onderzoek rechtvaardigden. Het primaire besluit om de WAO-uitkering te weigeren is daarom op goede gronden gehandhaafd.
Uitkomst: De weigering van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat het tijdsverloop tussen medisch onderzoek en besluit niet leidt tot onzorgvuldige besluitvorming.