ECLI:NL:CRVB:2005:AU1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering zonder dringende redenen
Appellant ontving een voorschot op een WAO-uitkering dat later onverschuldigd bleek omdat zijn recht op uitkering werd geweigerd. De terugvordering van het voorschot werd door de rechtbank bevestigd en in hoger beroep gehandhaafd door de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat artikel 57 van Pro de WAO dwingend voorschrijft dat onverschuldigd betaalde bedragen moeten worden teruggevorderd, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Appellant voerde aan dat zijn slechte gezondheid en financiële situatie aanleiding zouden moeten zijn om van terugvordering af te zien, maar deze stellingen werden niet onderbouwd met medische of financiële stukken.
Verder werd erkend dat het lang duurde voordat de beslissing op de aanvraag werd genomen en de terugvordering werd ingesteld, maar dit leidt niet tot schending van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel. Appellant wist of behoorde te weten dat het om voorschotten ging die teruggevorderd zouden worden indien het recht op uitkering niet werd vastgesteld.
De Raad concludeerde dat er geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. De hoogte van het terugvorderingsbedrag werd eveneens als juist beoordeeld.
Uitkomst: De terugvordering van het onverschuldigd betaalde WAO-voorschot wordt bevestigd zonder toepassing van dringende redenen.