ECLI:NL:CRVB:2005:AU1951
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep schorsing kinderbijslag wegens ontbreken feitelijk belang onterecht
Appellante betwistte de schorsing van de betaling van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2002, omdat haar kinderen in Pakistan wonen en zij niet had voldaan aan verzoeken om een adresverklaring en betalingsbewijzen te overleggen. De Sociale verzekeringsbank schortte de betaling op en beëindigde later het recht op kinderbijslag.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de schorsing niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van feitelijk belang, omdat het beëindigingsbesluit inmiddels onherroepelijk was geworden. Appellante stelde dat dit onterecht was en dat zij wel degelijk belang had bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de schorsing.
De Raad oordeelt dat de rechtbank niet in strijd met de wet heeft gehandeld door het beëindigingsbesluit mee te nemen, maar dat appellante wel belang heeft bij het aanvechten van het schorsingsbesluit vanwege een ander toetsingskader en mogelijk financieel belang. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. Tevens veroordeelt de Raad de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing van de kinderbijslag wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden aan appellante toegewezen.