ECLI:NL:CRVB:2005:AU2036
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.G. Kasdorp
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling grondslag vaststelling uitkering voor in Israël woonachtige diamanthandelaar
Eiser, een in Israël woonachtige zelfstandig adviseur en intermediair in de diamanthandel, heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van de grondslag voor zijn periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Verweerster had de grondslag vastgesteld op het minimuminkomen, gebaseerd op de feitelijk genoten inkomsten van USD 9.200 in 2001.
Eiser stelde dat de verweerster ten onrechte was uitgegaan van de feitelijke commissie-uitbetaling en dat artikel 8, derde lid onder a, van de Wet toegepast had moeten worden om een vergelijkbare functie in Nederland te waarderen. De Raad oordeelde dat een dergelijke vergelijkingsmogelijkheid ontbrak omdat de functie van eiser uniek was en dat verweerster voldoende zorgvuldigheid had betracht door relevante Nederlandse instellingen te raadplegen.
De Raad concludeerde dat het redelijk was om de feitelijk genoten inkomsten als grondslag te hanteren, aangezien er geen algemene aanknopingspunten waren voor een andere waardering. Ook ontbrak het bewijs voor aanvullende aanspraken op commissies. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot vaststelling van de grondslag op basis van feitelijk genoten inkomsten blijft gehandhaafd.