ECLI:NL:CRVB:2005:AU2196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW-uitkering bij late aanvraag en bijzondere omstandigheden
Appellant werd werkloos op 10 november 1998 en meldde dit telefonisch aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Ondanks meerdere afspraken om het aanvraagformulier voor een WW-uitkering in te vullen, heeft appellant dit niet tijdig gedaan. Pas op 12 mei 2003 diende hij een aanvraag in, die werd afgewezen omdat hij in de 39 weken voorafgaand aan zijn eerste werkloosheidsdag 1 januari 2001 niet in ten minste 26 weken had gewerkt.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij destijds in psychische problemen verkeerde en dat het Uitvoeringsinstituut hem niet hielp bij het invullen van de aanvraag, waardoor sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden volgens artikel 23 van Pro de WW. De Raad oordeelde dat uit de stukken blijkt dat appellant meerdere keren de gelegenheid kreeg het formulier in te vullen en dat hij onvoldoende bewijs leverde voor zijn psychische problemen.
Verder stelde de Raad vast dat appellant in 1999 en 2000 wel werkzaamheden verrichtte en solliciteerde, waardoor onvoldoende aannemelijk is dat hij niet eerder kon aanvragen. Gezien de wettelijke bepalingen en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, bevestigde de Raad het besluit dat appellant geen recht heeft op de WW-uitkering.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op WW-uitkering wegens het niet tijdig indienen van de aanvraag en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.